ECLI:NL:RBDHA:2026:17729

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.58740, NL25.58739 en NL25.51855
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 6:20 AwbArt. 42 Vw 2000Art. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eisers, afkomstig uit Colombia, vroegen asiel aan na bedreigingen door gewapende groepen en de moord op de schoonvader van eiseres. De minister wees de aanvragen af, stellende dat effectieve bescherming door Colombiaanse autoriteiten mogelijk is.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bescherming mogelijk is en dat het onderzoek naar pamfletten als bewijsstuk door Bureau Documenten onzorgvuldig en onvoldoende was. De minister heeft niet adequaat gereageerd op de ingebrachte kopieën en de inhoudelijke ondersteuning daarvan.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en beveelt de minister nieuwe besluiten te nemen, rekening houdend met de bevindingen. Tevens krijgt eisers een proceskostenvergoeding wegens de te late besluitvorming.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken en beveelt nieuwe besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51855, NL25.58740 en NL25.58739

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer 1] ,
[eiser] ,eiser,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
mede ten behoeve van eisers minderjarige kind
[eisers] ,
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 30 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] respectievelijk [geboortedatum] .
2.1.
Eisers hebben de minister op 12 september 2025 in gebreke gesteld, omdat de minister niet op tijd op hun aanvragen heeft beslist. Op 23 oktober 2025 hebben eisers beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL25.51855.
2.2.
De minister heeft met de bestreden besluiten van 24 november 2025 de aanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Aan eisers is een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat zij binnen vier weken moeten vertrekken.
2.3.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog
genomen besluit. [2] Eisers hebben daarnaast nog afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep van eiser is geregistreerd onder kenmerk NL25.58739 en dat van eiseres onder kenmerk NL25.58740.
2.4.
Op 8 januari 2026 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 januari 2026 is de uitspraak van 6 januari 2026 vervallen verklaard.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen gevoegd op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eisers, en de gemachtigde van de minister.
2.6.
Op 19 februari 2026 heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen. Eisers hebben in beroep kopieën van pamfletten ingebracht (inclusief vertaling). De rechtbank acht een onderzoek door Bureau Documenten noodzakelijk en wenst vervolgens van de minister te vernemen in hoeverre de uitkomst van het onderzoek invloed heeft op de besluitvorming. Vervolgens krijgen eisers de gelegenheid te reageren.
2.7.
Op 25 februari 2026 heeft de minister een reactie gegeven. Op 16 april 2026 hebben eisers gereageerd. De minister heeft op 23 april 2026 een e-mail van 25 februari 2026 van een documentonderzoeker van Bureau Documenten aan het dossier toegevoegd.
2.8.
De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat een nadere zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij één van de partijen binnen een termijn van twee weken zal aangeven een nadere zitting te wensen. Van partijen is geen reactie ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
3. De rechtbank overweegt dat het eerste beroep, met kenmerk NL25.51855, is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Voordat uitspraak op dit beroep is gedaan, heeft de minister alsnog beslist op de aanvraag. De rechtbank heeft eisers vervolgens gevraagd om gronden in te dienen als zij het niet eens zijn met het genomen besluit. Eisers hebben dat gedaan in het beroep onder zaaknummer NL25.58740 op 23 december 2025. De rechtbank heeft dat niet onderkend en de hiervoor onder 2.4 bedoelde uitspraak van 8 januari 2026 gedaan, die inmiddels vervallen is verklaard.
3.1.
De beroepen van eisers richten zich zowel tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag als tegen de alsnog genomen besluiten.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvragen te beslissen is verstreken. [3] Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [4] Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [5]
4.1.
Op 24 november 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Omdat door de minister alsnog een besluit is genomen, bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen. [6]
4.2.
Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is kennelijk niet-ontvankelijk.
4.3.
Omdat de minister na het indienen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen, is het beroep terecht ingediend, en moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank gaat daarop hierna, onder 15.2, in.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit
Het asielrelaas
5. Eisers leggen aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag. De vader van eiseres is op 25 november 2023 op gewelddadige wijze vermoord. Eiseres heeft geprobeerd inzage te krijgen in het dossier van haar vader via het OM. Uit het niets heeft eiseres op 21 maart 2024 telefoontjes met bedreigingen en dreigende sms’jes ontvangen die erop neer kwamen dat ze het onderzoek naar de dood van haar vader moest laten rusten. Eiseres heeft hiervan aangifte gedaan op 22 maart 2024 bij de Fiscalia, het Openbaar Ministerie.
Op 22 maart 2024 zijn er twee gewapende mannen - leden van de Autodefensas Unitad de Colombia (AUC) - bij het huis van eisers moeder langsgekomen op zoek naar eiseres. Eisers woonden in het huis van eisers moeder, maar eiseres was op dat moment niet thuis. Vanwege de schrik is ze samen met eiser en eisers kind naar het huis van eisers stiefvader gegaan en daar zijn ze ondergedoken. Eiseres heeft op 23 maart 2024 online aangifte gedaan van het incident bij het huis van haar schoonmoeder en ze hebben daarna het land verlaten. Eisers zijn op 29 maart 2024 Nederland ingereisd en hebben asiel aangevraagd. Eisers vrezen bij terugkeer naar Colombia gedood te worden door de AUC en de Autodefensas Gaitanistas de Colombia (AGC), ook wel de Clan del Golfo (CDG) genoemd. Eisers moeder is door het OM opgeroepen om te getuigen.
De bestreden besluiten
6. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Moord op de (schoon)vader van eisers en de daaruit volgende bedreiging.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Dat eisers uit Colombia afkomstig zijn, is onvoldoende om als vluchteling te worden aangemerkt. De vrees voor de AUC en de AGC - machtige illegale gewapende organisaties - acht de minister aannemelijk en zwaarwegend genoeg, omdat het gaat om dreigementen die zien op de dood. Eisers kunnen echter effectieve bescherming inroepen van de Colombiaanse autoriteiten tegen de personen waarvoor zij stellen te vrezen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het vragen van bescherming in hun geval niet effectief is. Eisers hebben de uitkomsten van hun aangiftes niet afgewacht, maar het land verlaten. De mogelijkheden om te worden beschermd zijn door eisers niet afgewacht. Eisers hebben geen inzicht gegeven in de status van de aangiftes. Eisers hebben ook geen navraag gedaan naar de status en hebben zich evenmin tot andere bevoegde instanties gewend voor hulp. Niet gesteld kan worden dat de autoriteiten niet in staat zijn of niet bereid zijn eisers bescherming te bieden tegen de gestelde bedreigingen. De minister gaat ervan uit dat de aangiftes nog in behandeling zijn bij het OM. De asielaanvragen zijn afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers geen effectieve bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten in Colombia?
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister de moord op de (schoon)vader van eisers geloofwaardig heeft geacht. Voorts acht de minister de vrees voor de AUC en de AGC aannemelijk en zwaarwegend genoeg, omdat het gaat om dreigementen die zien op de dood. Volgens de minister is echter niet gebleken dat de autoriteiten in Colombia eisers geen effectieve bescherming kunnen bieden tegen de bedreigingen van deze machtige illegaal gewapende organisaties. Dit standpunt van de minister is naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd.
8. Eisers hebben in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat er geen schot zit in de aangiftes die zij hebben gedaan. Er worden geen acties ondernomen door het OM. Eisers hebben via een advocaat geprobeerd inzage te krijgen in de dossiers. De advocaat heeft op 20 november 2025 geïnformeerd bij het OM over de stand van zaken ten aanzien van het onderzoek naar de moord op de vader van eiseres. Daarop is nog geen reactie gekomen. Eisers moeder heeft op 21 november 2025 in het SPOA-systeem gekeken. Door toedoen van deze twee acties zijn er door de CDG pamfletten afgeleverd bij het huis van eisers moeder met dreigende teksten richting eisers. Eisers hebben kopieën van deze pamfletten (inclusief vertaling) in beroep ingebracht.
9. Naar aanleiding van de heropening heeft de minister de pamfletten op verzoek van de rechtbank voorgelegd aan Bureau Documenten. Op 25 februari 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat Bureau Documenten niets kan zeggen over deze documenten nu het printjes zijn en door een ieder kunnen worden vervaardigd. Nu de documenten niet kunnen worden onderzocht door Bureau Documenten, ziet de minister geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen dan reeds verwoord in het bestreden besluit. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld de aanleiding van de pamfletten opmerkelijk te vinden. Ten aanzien van de opmaak van de pamfletten heeft de minister een aantal opmerkingen geplaatst en de minister ziet niet in waarom eisers van deze bedreigingen geen aangifte hebben gedaan. Dat bescherming door de autoriteiten niet mogelijk is, volgt de minister niet.
Onderzoek Bureau Documenten
10. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het onzorgvuldig is en in strijd met het motiveringsbeginsel is dat de minister de reactie van Bureau Documenten niet heeft ingebracht. Eisers kunnen nu niet nagaan of de minister daadwerkelijk contact heeft gehad met Bureau Documenten en wat de officiële reactie is geweest. Eisers wijzen in dit verband op een uitspraak van de Afdeling [7] .
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers terecht betoogd dat zij ten onrechte geen kennis hebben kunnen nemen van de bevindingen van Bureau Documenten. De minister heeft weliswaar te kennen gegeven dat hij onderzoek heeft laten verrichten door Bureau Documenten, maar uit de besluitvorming en het verweerschrift blijkt niet wanneer hij Bureau Documenten heeft benaderd en wat de vraagstelling is geweest. De rechtbank heeft bij de heropening van het onderzoek aangegeven dat onderzoek door Bureau Documenten noodzakelijk is. De minister heeft op 23 april 2026, dat wil zeggen, na de nadere reactie van eisers alsnog een e-mail van Bureau Documenten aan het dossier toegevoegd, waarin staat: “Ah ja over deze documenten kunnen we inderdaad helaas niet veel zeggen. Het zijn vrij simpele printjes die iedereen zou kunnen maken. Heb je ook nog ondersteunende documenten erbij zoals de aangifte die ze hebben gedaan of hebben jullie enkel dit document?”. Uit deze e-mail volgt niet duidelijk dat Bureau Documenten is gevraagd om de pamfletten te onderzoeken. Het lijkt alsof Bureau Documenten is gevraagd het standpunt van de minister te bevestigen dat over de documenten niets gezegd kan worden. Uit de e-mail blijkt verder dat de onderzoeker van Bureau Documenten heeft gevraagd of er nog ondersteunende documenten zijn zoals een aangifte. Waarom de minister niet heeft aangegeven dat er nog ondersteunende documenten zijn, kan de rechtbank niet volgen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende onderzoek naar de pamfletten is gedaan door Bureau Documenten en dat de beschikbare informatie onvoldoende is om het standpunt van de minister te dragen dat er geen aanleiding is om af te wijken van het in het besluit ingenomen standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd en is er sprake van onzorgvuldige besluitvorming.
Kopieën
11. Voorts hebben eisers aangevoerd dat kopieën wel op echtheid kunnen worden onderzocht. In ieder geval kan op basis van technische of tactische elementen soms wel een oordeel worden gegeven over een kopie.
11.1.
Met eisers is de rechtbank van oordeel dat ook een kopie op echtheidskenmerken kan worden onderzocht, omdat vastgesteld kan worden of het document aan bepaalde voorwaarden voldoet en of het document - gelet op aanwezig vergelijkingsmateriaal - afkomstig is van de door eisers gestelde afzender. [8] Ook kan de minister de inhoud van deze documenten vergelijken met openbare bronnen om te bezien of de inhoud juist kan zijn. Bovendien geldt dat als de “echtheid ” van een document niet kan worden vastgesteld dit niet betekent dat het document niet inhoudelijk juist kan zijn. Ook als een document slechts een kopie is, betekent dit niet dat hieraan geen enkele waarde kan toekomen. Voorts dient de minister elk bewijsmiddel dat door de vreemdeling wordt aangedragen te onderzoeken en te beoordelen of dit steunbewijs kan opleveren voor het asielrelaas, temeer nu de minister de bedreigingen die eisers hebben ondervonden zwaarwegend genoeg heeft geacht en de pamfletten de verklaringen van eisers in die zin ondersteunen.
De rechtbank acht de tegenwerping van de minister dat eiser enkel printjes heeft ingebracht dan ook onzorgvuldig.
Afkortingen op de pamfletten
12. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de afkortingen EGC/AGC in de pamfletten niet te herleiden zijn tot de Glan del Golfo.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet valt in te zien dat op een pamflet twee afkortingen zouden staan van één en dezelfde organisatie, waarbij één afkorting niet te herleiden valt tot Clan del Golfo. Daarbij acht de rechtbank van belang dat volgens het Algemeen Ambtsbericht Colombia 2024 [9] de Glan del Golfo zichzelf ook wel de Colombiaanse Gaitanista Zelfverdedigingskrachten noemt (ofwel AGC: Autodefensas Gaitanistas de Colombia) en staat de groepering ook wel bekend onder de naam Los Uraberios of Clan Usuga. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat sinds begin 2024 de groepering zich het Colombiaanse Gaitanista leger (EGC: Ejército Gaitanista de Colombia) noemt. Uit deze informatie blijkt dus dat alle afkortingen op het pamflet te herleiden zijn naar de Clan del Golfo.
Datum op de pamfletten
13. Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte - onder verwijzing naar een onderzoek van de Canadese Immigratiedienst [10] over de opmaak van pamfletten - aan eisers heeft tegengeworpen dat er geen datum staat op de pamfletten.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze tegenwerping geen stand houden. In het onderzoek staat namelijk het volgende vermeld [11] :
‘Pamphlets take various forms. They are often printed on a single page, with the logo of the signing organization. They sometimes contain a specific date or only a month.’
Even verderop staat:

The representative of the Office of the Ombudsman indicated that pamphlets [translation] “have the appearence of a communiqué” in which the following information is “usually” found:
[ …]

Date of issue of the pamphlet.
[…]’
Uit deze passages volgt niet dat pamfletten altijd een datum bevatten.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de tegenwerpingen van de minister over de ontbrekende datum op de pamfletten zonder nadere motivering dus geen stand houden.
Samengevat
14. Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de minister - zonder nadere motivering - zijn standpunt dat bescherming door de autoriteiten mogelijk is niet kan handhaven. Dit temeer nu het gaat om bewijsstukken die de verklaringen van eisers ondersteunen dat zij bedreigd zijn door de AUC en de Clan del Golfo en ook vallen binnen de context van wat bekend is uit de openbare bronnen over de handelwijze van de gevreesde machtige illegale gewapende groeperingen en de mate van bescherming die de autoriteiten daartegen bieden [12] . De bestreden besluiten berusten niet op een deugdelijke motivering. Voorts is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat er geen goed onderzoek door Bureau Documenten is verricht.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen is niet-ontvankelijk. De beroepen tegen de alsnog genomen besluiten zijn gegrond omdat er sprake is van een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen.
15.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister nieuwe besluiten moet nemen op de asielaanvragen van eisers en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
15.2.
Omdat te laat is beslist en de beroepen tegen de alsnog genomen besluiten gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie in samenhangende zaken [13] , met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.51855 niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit;
- verklaart de beroepen met zaaknummers NL25.51855, NL25.58740 en NL25.58739 tegen de alsnog genomen besluiten gegrond;
-vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eisers waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,- .
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
3.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
5.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
6.Artikel 8:55d van de Awb.
7.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:700).
8.Zie de Vakbijlage Bureau Documenten, par. 7.3 en de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 december 2025 (
9.Pagina 21.
10.Immigration and Refugee Board of Canada,
11.Zie par. 1.2.
12.Zie Algemeen Ambtsbericht van juni 2024, pagina 19, pagina 52 tot en met 57.
13.Zie artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.