ECLI:NL:RBDHA:2026:17733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/09/704334 KG ZA 26-453
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:172 BWArt. 3:178 BWArt. 3:185 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking verkoop woning uit onverdeelde nalatenschap

Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een kort geding over de medewerking aan de verkoop van een woning behorende tot een onverdeelde nalatenschap. De erfgenamen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning, maar gedaagde weigert mee te werken aan verkoop. Eiser vordert dat gedaagde wordt veroordeeld tot volledige medewerking aan verkoop via een NVM-makelaar, waaronder het verlenen van toegang voor bezichtigingen en het ondertekenen van de koopovereenkomst.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij verkoop, omdat hij niet over zijn aandeel in de woning kan beschikken en daardoor financieel wordt benadeeld. Hoewel gedaagde tijdens de mondelinge behandeling had toegezegd mee te werken, is hij dit niet nagekomen. De woning is verhuurd voor onbepaalde tijd, en het is onduidelijk of gedaagde de huurovereenkomst kan opzeggen. Daarom wordt de primaire vordering tot oplevering van de woning leeg afgewezen.

De rechter gelast de verkoop in verhuurde staat en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende medewerking van gedaagde. Tevens wordt een dwangsom opgelegd om naleving af te dwingen. De kosten van het geding worden ieder voor eigen rekening gelaten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de woning in verhuurde staat met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704334 / KG ZA 26-453
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. M.C. Carli-Lodder,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats],
gedaagde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 mei 2026 met producties 1 t/m 6;
- de op 27 mei 2026 door gedaagde ingediende drie producties;
- de op 29 mei 2026 door eiser ingediende producties 7 en 8;
- de op 29 mei 2026 door eiser ingediende eiswijziging;
- de op 1 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat zij een makelaar zullen benaderen en voor 15 juni 2026 een opdracht tot verkoop van de woning zullen verstrekken. De zaak is aangehouden in afwachting van bericht van partijen.
Op 16 juni 2026 heeft eiser bericht dat gedaagde geen medewerking heeft verleend en heeft hij verzocht om alsnog vonnis te wijzen.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op [datum 1] 2019 is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Ten tijde van haar overlijden was zij weduwe van de heer [erflater] (hierna: erflater), die op
[datum 2] 2002 is overleden. Erflater en erflaatster hebben geen uiterste wil gemaakt.
2.2.
Erflaatster heeft de volgende erfgenamen achtergelaten (ieder voor één/vijfde deel):
  • de heer [naam 1]
  • de heer [naam 2]
  • de heer [gedaagde] (gedaagde)
  • mevrouw [naam 3]
  • de heer [eiser] (eiser)
2.3.
Alle erfgenamen zijn kinderen van erflater en erflaatster en hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
2.4.
Tot de nalatenschap behoort de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.5.
Bij huurovereenkomst van 23 februari 2017 heeft erflaatster de woning per 1 maart 2017 voor onbepaalde tijd verhuurd aan mevrouw [huurster] (hierna: huurster) voor een huurprijs van € 690,- per maand.
2.6.
Bij brief van 9 augustus 2019 heeft gedaagde aan de huurster bericht dat hij vanwege de gezondheidstoestand van zijn moeder (erflaatster) voortaan optreedt als beheerder en aanspreekpunt voor de woning en heeft hij verzocht de huurprijs per september 2019 maandelijks over te maken naar zijn rekening. Huurster heeft de huur vanaf september 2019 tot op heden maandelijks overgemaakt naar de bankrekening van gedaagde.
2.7.
Bij brief van 10 september 2019 heeft gedaagde aan de huurster bericht dat erflaatster is overleden, dat de erfgenamen de huurovereenkomst overnemen en dat gedaagde optreedt als contactpersoon namens de erfgenamen.
2.8.
De erfgenamen hebben bij gedaagde aangegeven tot verkoop van de woning over te willen gaan.
2.9.
Bij brief van 30 juli 2025 heeft gedaagde aan eiser laten weten dat hij, voordat hij akkoord gaat met verkoop van de woning, gecompenseerd wil worden voor verbouwingskosten van € 100.000,-. Ook heeft gedaagde aangegeven dat de woning voor onbepaalde tijd wordt verhuurd.
2.10.
Bij aangetekende brief van 16 december 2025 heeft de advocaat van eiser gedaagde nogmaals verzocht om mee te werken aan de verkoop van de woning en om zijn stellingen te bewijzen. Deze brief is niet afgehaald.

3.Het geschil

3.1.
Eiser vordert – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagde veroordeelt binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats], door middel van een NVM-makelaar te bepalen door eiser, een en ander omvattende:
het meewerken aan de selectie en opdrachtverlening aan de makelaar;
het verlenen van toegang aan de makelaar en geïnteresseerde kopers voor bezichtigingen;
het ondertekenen van de koopovereenkomst met de door de makelaar te selecteren koper;
het verlenen van medewerking aan de notariële levering aan de koper;
II.
primair:
- gedaagde veroordeelt ervoor zorg te dragen dat de woning leeg, ontruimd en vrij van gebruik, bewoning en huur ter beschikking wordt gesteld aan de koper;
subsidiair(voor het geval het primair gevorderde niet door gedaagde kan worden bewerkstelligd):
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van gedaagde aan de opzegging respectievelijk beëindiging van de huurovereenkomst met de bewoner(s) van de woning, een en ander op de voet van artikel 3:300 BW Pro, zulks voor zover noodzakelijk voor vrije levering van de woning aan de koper;
meer subsidiair(voor het geval leegoplevering niet voor het transport kan worden bewerkstelligd):
- de verkoop in verhuurde staat gelast op de voet van artikel 3:185 BW Pro, met de bepaling dat:
a. de waardevermindering van de woning door de verhuurde staat geheel ten laste komt van het aandeel van gedaagde in de verkoopopbrengst; en
b. de door gedaagde ontvangen huurinkomsten over de gehele periode van onverdeeldheid (zijnde minimaal € 44.160, overeenkomende met 4/5e van € 690 per maand over ten minste 80 maanden) worden verrekend met het aandeel van gedaagde in de netto-verkoopopbrengst, zulks op grond van artikel 3:172 BW Pro;
III. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende medewerking van gedaagde aan alle onder I en II genoemde rechtshandelingen, een en ander op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro;
IV. gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij na ommekomst van de onder I en/of II genoemde termijnen in gebreke blijft aan zijn verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
V. gedaagde veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert eiser – samengevat – aan dat hij op grond van artikel 3:178 lid 1 BW Pro gerechtigd is om verdeling van de onverdeelde woning te vorderen. Eiser wil dat de woning wordt verkocht en dat de opbrengst onder de erfgenamen wordt verdeeld, maar gedaagde weigert hieraan mee te werken. De nalatenschap is al ruim vijf jaar onverdeeld en eiser kan niet verplicht worden (nog langer) in de een onverdeelde gemeenschap te blijven.
3.3.
Gedaagde voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
Eiser vordert in dit geding dat gedaagde wordt veroordeelt om mee te werken aan de verkoop van de woning die hun moeder (erflaatster) hen heeft nagelaten. Hoewel de woning al sinds 2019 onverdeeld is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiser een spoedeisend belang heeft bij een zo spoedig mogelijke verdeling van de woning. Het aandeel van eiser in de waarde van de woning wordt immers gerekend tot zijn vermogen, terwijl hij hierover niet kan beschikken. Eiser dient over dit vermogen belasting te betalen en doordat zijn vermogen boven de vermogensgrens ligt, maakt hij geen aanspraak op bijvoorbeeld huurtoeslag en gesubsidieerde rechtsbijstand. Eiser heeft een bijstandsuitkering en een tijdelijke lening via de gemeente en heeft onvoldoende inkomen om de kosten van de woning te dragen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van eiser gevergd worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht en dient zo snel mogelijk beslist te worden over de verdeling van de woning.
Vorderingen
4.2.
De vorderingen strekken ertoe dat gedaagde wordt bevolen mee te werken aan de verkoop van de woning. Primair wil eiser dat de woning leeg en vrij van huur wordt opgeleverd en als dat niet mogelijk is, dat gedaagde wordt bevolen om de huurovereenkomst op te zeggen of te beëindigen. Meer subsidiair vordert eiser dat bepaald wordt dat de woning in verhuurde staat wordt verkocht en dat de waardevermindering (door de verhuurde staat) en de huurinkomsten die gedaagde heeft ontvangen, in mindering worden gebracht op het aandeel van gedaagde in de verkoopopbrengst.
4.3.
De voorzieningenrechter acht het in het belang van partijen dat zij uit de onverdeeldheid komen en dat de verkoopopbrengst onder de erfgenamen wordt verdeeld. Nu gebleken is dat geen van de erfgenamen de woning wil of kan overnemen en dat beide partijen willen dat de woning wordt verkocht aan een derde, zal de voorzieningenrechter vordering I als onbetwist toewijzen en bepalen dat gedaagde moet meewerken aan de verkoop van de woning. Hoewel gedaagde heeft toegezegd dat hij (vrijwillig) wil meewerken, acht de voorzieningenrechter het toch aangewezen om hem hiertoe te veroordelen, nu gedaagde in weerwil van de tijdens de mondelinge behandeling bereikte overeenstemming niet heeft meegewerkt aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan een makelaar.
4.4.
Vast staat dat de woning momenteel wordt verhuurd aan een vrouw met wie erflaatster (bij leven) in 2017 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gesloten. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de huurster niet van plan is de woning op korte termijn te verlaten. Tussen partijen is in geschil of gedaagde in een zodanige relatie tot de huurster staat dat hij ervoor kan zorgen dat zij de woning vrijwillig verlaat. Wat daar ook van zij, in het bestek van dit kort geding is niet gebleken van een grond voor gedaagde (namens de mede-erfgenamen) om over te gaan tot opzegging of beëindiging van de huurovereenkomst. Verder heeft eiser onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen of de huurovereenkomst in 2017 door de erflaatster geldig is overeengekomen. Gelet op het voorgaande zal de vordering onder II primair en subsidiair worden afgewezen.
4.5.
Nu de voorzieningenrechter zal bepalen dat de woning zal worden verkocht en deze niet op korte termijn vrij van huur zal zijn, zal de vordering onder II meer subsidiair worden toegewezen en zal de voorzieningenrechter de verkoop in verhuurde staat gelasten. Daarbij bestaat echter onvoldoende aanleiding om op voorhand te bepalen dat de waardevermindering en de door gedaagde ontvangen huurinkomsten in mindering zullen worden gebracht op het aandeel van gedaagde in de verkoopopbrengst. Dat sprake is van waardevermindering door de verhuurde staat, hoeveel deze vermindering bedraagt en dat gedaagde deze last dient te dragen, is onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft eiser geen spoedeisend belang bij dit deel van de vordering. Datzelfde geldt voor de gevorderde verrekening van de door gedaagde ontvangen huurinkomsten. Een eventuele waardevermindering en verrekening van huurinkomsten dienen in een later stadium te worden betrokken bij de uiteindelijke afwikkeling van de gemeenschap.
4.6.
De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing.
Proceskosten
4.7.
In de familierechtelijke aard van dit geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt gedaagde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats], door middel van een NVM-makelaar te bepalen door eiser, een en ander omvattende:
het meewerken aan de selectie en opdrachtverlening aan de makelaar;
het verlenen van toegang aan de makelaar en geïnteresseerde kopers voor bezichtigingen;
het ondertekenen van de koopovereenkomst met de door de makelaar te selecteren koper;
het verlenen van medewerking aan de notariële levering aan de koper;
5.2.
gelast de verkoop van de woning in verhuurde staat;
5.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende medewerking van gedaagde aan alle onder I en II genoemde rechtshandelingen, een en ander op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro;
5.4.
veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij na ommekomst van de onder 5.1 genoemde termijn in gebreke blijft aan zijn verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
JvL