ECLI:NL:RBDHA:2026:17736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/09/681111 / HA ZA 25-200
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BWArt. 6:10 BWArt. 3:169 BWArt. 1:87 BWArt. 10:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van een woning na ontbinding huwelijk en vaststelling overbedelingsvordering

Partijen, voormalig gehuwd en uit elkaar gegaan, vorderen de verdeling van hun gemeenschappelijke woning. De vrouw wil verkoop aan een derde met verdeling van de overwaarde, terwijl de man de woning wil overnemen en de vrouw wil vergoeden voor haar aandeel en gemaakte kosten.

De rechtbank oordeelt dat de man een zwaarwegend belang heeft om in de woning te blijven wonen en krijgt daarom drie maanden de tijd om financiering te regelen voor overname. De waarde van de woning wordt vastgesteld door een bindende taxatie door een makelaar.

De rechtbank wijst het vergoedingsrecht van de man toe voor betaalde premies van spaar- en levensverzekering, maar niet voor hypotheekrente, VvE-bijdragen en belastingen vanwege onvoldoende onderbouwing of compensatie door gebruiksvergoeding van de vrouw.

Indien de man niet binnen de termijn kan overnemen, volgt verkoop aan een derde met verdeling van de opbrengst. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat gedetailleerde bepalingen over taxatie, levering, betaling en kostenverdeling.

Uitkomst: De man krijgt drie maanden de tijd om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen, anders volgt verkoop aan een derde met verdeling van de overwaarde.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/681111 / HA ZA 25-200
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ([land]),
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.K. Visser,
tegen
[de man]te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. D. Alblas.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Partijen zijn getrouwd geweest en uit elkaar gegaan. De vrouw is met de dochter van partijen verhuisd uit de gemeenschappelijke woning. De man is in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. Beide partijen vorderen dat de woning zal worden verdeeld. De rechtbank stelt de wijze waarop de woning verdeeld moet worden vast. De man krijgt eerst de gelegenheid om de woning over te nemen. Als hem dat niet lukt, moet de woning worden verkocht aan een derde.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 februari 2025 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;
- de akte overlegging producties tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie met producties 5 tot en met 8;
- de akte van de man na de mondelinge behandeling; en
- de antwoordakte van de vrouw.
2.2.
Op 25 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De procedure is vervolgens aangehouden voor overleg tussen partijen. Partijen hebben aktes genomen. De zaak staat vandaag voor vonnis.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
Partijen hebben op 2 augustus 2006 gezamenlijk de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) verkregen. Ten behoeve van de financiering van de woning hebben partijen gezamenlijk een hypothecaire geldlening afgesloten voor een bedrag van € 169.000. De hypothecaire geldlening is een spaarhypotheek, waarvoor maandelijks rente en inleg in een spaarverzekering moet worden betaald. Aan de hypothecaire lening is ook een levensverzekering verbonden, waarvoor maandelijks premie moet worden betaald.
3.2.
Op [datum 1] 2007 zijn partijen in [land] getrouwd.
3.3.
Op [geboortedatum] 2014 is de dochter van partijen geboren.
3.4.
In 2015 zijn partijen uit elkaar gegaan. De vrouw is vervolgens met de dochter van partijen naar [land] verhuisd.
3.5.
Op [datum 2] 2017 is het huwelijk van partijen door een Poolse rechtbank ontbonden.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de wijze van verdeling van de woning vaststelt door te bepalen dat de woning aan een derde moet worden verkocht en de bij verkoop gerealiseerde overwaarde ieder van partijen voor de helft zal toekomen;
II. de man veroordeelt tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning op de manier zoals beschreven in het petitum van de dagvaarding, op straffe van een dwangsom en met indeplaatsstelling van het vonnis;
III.
subsidiair:een zodanig vonnis wijst dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht.
4.2.
De vrouw legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat zij de woning wenst te verdelen, maar dat de man weigert mee te werken aan de verdeling. Volgens de vrouw is de man financieel niet in staat haar aandeel in de woning over te nemen.
4.3.
De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
in reconventie
4.4.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de woning toedeelt aan de man, waarbij de man de vrouw de helft van de overwaarde en de waarde van de spaarverzekering vergoed onder aftrek van het vergoedingsrecht van de man;
II. de vrouw veroordeelt tot medewerking aan de toedeling aan de man, op straffe van een dwangsom;
III. de vrouw veroordeelt in de kosten van de procedure.
4.5.
De man legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de man een belang heeft om in de woning te blijven wonen. De man wenst daarbij de woning over te nemen op basis van de waarde van de woning op 1 augustus 2017, de dag na de echtscheiding, en op basis van de WOZ-waarde. De man maakt aanspraak op vergoeding van gemeenschappelijke kosten die hij sinds 1 augustus 2017 zelf heeft betaald.
4.6.
De vrouw voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen.
in conventie en in reconventie
4.7.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Conventie en reconventie
5.1.
In de akte overlegging producties tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie heeft de vrouw opgemerkt dat het onduidelijk is of de man in zijn conclusie van antwoord een eis in reconventie heeft ingesteld. De vrouw heeft daarom verweer in reconventie gevoerd, voor zover de rechtbank oordeelt dat de conclusie van antwoord van de man een eis in reconventie bevat.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van antwoord van de man een eis in reconventie bevat. Daarin staat dat de man wil dat de rechtbank het aandeel van de vrouw aan hem toedeelt en dat hij aanspraak maakt op een vergoedingsrecht. Dit is meer dan een verweer tegen de vorderingen van de vrouw. De vrouw heeft in de akte overlegging producties tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie ook al op deze eisen van de man verweer gevoerd. Uit het partijdebat ter zitting en in de aktes na de mondelinge behandeling blijkt voor de rechtbank ook dat deze vorderingen van de man onderdeel vormen van de rechtsstrijd.
5.3.
De vorderingen in conventie en reconventie zien allebei op de gemeenschappelijke woning en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.4.
De vrouw woont in [land], zodat de rechtbank ambtshalve gehouden is de internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht te beoordelen.
5.5.
Deze procedure gaat om de verdeling van de woning en de daarmee verbonden vergoedingsrechten. De rechtbank maakt uit de stellingen van partijen op dat de woning in een eenvoudige gemeenschap valt. De vrouw heeft toegelicht dat de woning buiten de huwelijksgemeenschap viel, omdat de woning al voor het huwelijk was verkregen. De vorderingen van partijen vallen daarom niet onder het huwelijksvermogensrecht. Op de vorderingen is de Brussel I bis-Verordening formeel en materieel van toepassing, zodat de rechtbank haar rechtsmacht zal vaststellen op grond van die verordening.
5.6.
De vrouw vordert dat de rechtbank de wijze van verdeling vaststelt en de man veroordeelt tot medewerking aan die wijze van verdeling. Aangezien dit geen zakelijke vordering is, is de exclusieve bevoegdheidsregeling van artikel 24 van Pro de Brussel I bis-Verordening niet van toepassing. Op grond van de hoofdregel in artikel 4 van Pro de Brussel I bis-Verordening is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd. Omdat de man in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter dus rechtsmacht.
5.7.
Aangezien de vorderingen in reconventie uit hetzelfde feitencomplex voortkomen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 aanhef Pro en onder c Brussel ook bevoegd ten aanzien van de vorderingen in reconventie. [1]
5.8.
Wat het toepasselijke recht betreft vallen de vorderingen van partijen niet binnen het toepassingsbereik van de Rome I Verordening of Rome II Verordening. Het toepasselijke recht moet daarom worden vastgesteld op basis Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.9.
Partijen hebben hun vorderingen gebaseerd op Titel 7 van Boek 3 BW. Daarin ziet de rechtbank een impliciete rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht. [2] Aangezien de verdeling van een eenvoudige gemeenschap en de daarmee samenhangende vorderingen ter vrije dispositie van partijen staan en niet de goederenrechtelijke overgang van de onroerende zaken zelf betreft, zal de rechtbank de (impliciete) rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht respecteren.
De man krijgt de gelegenheid het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen
5.10.
De vrouw vordert dat partijen de woning aan een derde verkopen. De man vordert dat hij de gelegenheid krijgt het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. De vrouw stelt dat de man niet de financiering kan krijgen om de woning van de vrouw over te nemen. Zij heeft de man namelijk meerdere keren uitstel verleend zodat hij een voorstel kon doen. Zij stelt echter nooit een voorstel te hebben ontvangen. De man heeft toegelicht dat het in zijn belang is de woning over te nemen, omdat hij anders een nieuwe woning zal moeten vinden. Gelet op de huidige woningmarkt zal dat lastig zijn. De man stelt dat hij nog niet weet of hij de benodigde financiering kan krijgen.
5.11.
Op grond van artikel 3:185 BW Pro stelt de rechtbank de wijze van verdeling naar billijkheid vast. De rechtbank maakt daarom een belangenafweging.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van de man in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De man heeft een zwaarwegend belang om in de woning te kunnen blijven wonen. Het belang van de vrouw is erin gelegen dat zij eerst moet wachten of de man de benodigde financiering kan krijgen om de woning over te nemen. Het belang van de vrouw om niet langer te wachten vindt de rechtbank minder zwaar wegen dan het belang van de man. De man krijgt daarom een termijn van drie maanden om te onderzoeken of hij het aandeel van de vrouw in de woning kan overnemen.
De wijze waarop de man de woning mag overnemen
5.13.
De man stelt dat het redelijk is als hij de woning overneemt op basis van de waarde die de woning had op 1 augustus 2017. De peildatum sluit dan aan bij het moment waarop de echtscheiding van partijen is uitgesproken. De man voert aan dat hij vanaf dat moment als enige de lasten met betrekking tot de woning heeft gedragen.
5.14.
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de man. Het uitgangspunt bij verdeling is dat de verdeling plaatsvindt naar de waarde van het goed op het moment van feitelijke verdeling. Hiervan kan worden afgeweken op grond van de redelijkheid en billijkheid. De omstandigheid dat de man alle lasten heeft betaald is daarvoor onvoldoende. De betaalde lasten kunnen wel een reden zijn om een vergoedingsrecht van de man aan te nemen, zoals ook gevorderd door de man. De rechtbank zal dit vergoedingsrecht later in deze uitspraak ook behandelen.
5.15.
De man stelt ook dat hij de woning kan overnemen op basis van de WOZ-waarde. Volgens de man vertegenwoordigt de WOZ-waarde de marktwaarde. Dit wordt betwist door de vrouw.
5.16.
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de man. Het uitgangspunt bij verdeling is dat de verdeling plaatsvindt naar de waarde van de woning in het economisch verkeer. Naar algemene ervaringsregels is de WOZ-waarde van een woning niet gelijk aan de marktwaarde. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de WOZ-waarde in dit geval wel de marktwaarde vertegenwoordigt.
5.17.
Uit de stellingen van de man maakt de rechtbank op dat hij ermee instemt dat de woning bindend getaxeerd kan worden door een door partijen te kiezen makelaar. De rechtbank zal in de beslissing opnemen op welke manier de man het aandeel van de vrouw in de woning kan overnemen.
Verkoop aan een derde
5.18.
Als blijkt dat de man niet in staat is het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen, zal de woning worden verkocht aan een derde. De man heeft ter zitting opgemerkt daar geen verweer meer tegen te voeren.
5.19.
De man heeft ter zitting nog wel gesteld dat partijen hadden afgesproken dat de opbrengst van de woning uiteindelijk aan de dochter van partijen zou toekomen. Dit vormt echter geen onderdeel van de vorderingen, zodat de rechtbank dit buiten beschouwing zal laten. De man heeft in de akte na de mondelinge behandeling ook voorgesteld de verkoop van de woning met zes maanden uit te stellen om de woning eerst te kunnen renoveren. Ook dat voorstel vormt geen onderdeel van de vorderingen.
5.20.
De rechtbank zal in de beslissing opnemen op welke manier de verkoop aan een derde zal plaatsvinden.
Vergoedingsrecht van de man
5.21.
De man maakt aanspraak op vergoeding van kosten die de man mede ten behoeve van de vrouw heeft gemaakt. Het gaat om vergoeding van de volgende kosten: de hypotheekrente, de premies van de spaarverzekering en levensverzekering, de VvE-bijdrage, de gemeentelijke belastingen en de waterschapsbelasting.
5.22.
De man stelt dat dit vergoedingsrecht moet worden berekend op basis van de beleggingsleer in artikel 1:87 BW Pro. De rechtbank wijst dit af. Artikel 1:87 BW Pro is van toepassing op vermogensverschuivingen tussen echtgenoten. De kosten waarvan de man vergoeding vordert zien op de periode na de echtscheiding, los van de vraag of op het huwelijk Nederlands recht van toepassing was. Dit betekent dat de rechtbank het vergoedingsrecht van de man zal vaststellen op basis van de nominale uitgaven van de man.
Hypotheekrente
5.23.
De man vordert vergoeding van de helft van de door hem betaalde hypotheekrente in de maanden van 1 augustus 2017 tot en met 1 april 2026. Deze vordering bedraagt € 17.759,04 (€ 341,52 x 104 maanden / 2). De vrouw voert als verweer dat deze vordering moet worden weggestreept tegen de gebruiksvergoeding waar de vrouw recht op heeft.
5.24.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen hypotheekrente hoeft te vergoeden aan de man. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.25.
Partijen zijn hoofdelijk verbonden voor de hypothecaire geldlening. De man heeft op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro een vergoedingsrecht als hij meer heeft betaald dan zijn deel van de schuld. De man heeft onbetwist gesteld dat dit het geval is, zodat dit vaststaat. De vrouw heeft echter ook een eigen vergoedingsrecht. Uit artikel 3:169 BW Pro vloeit namelijk voort dat de vrouw recht heeft op een gebruiksvergoeding, omdat de man exclusief gebruik heeft kunnen maken van de woning.
5.26.
De rechtbank acht het redelijk dat de vergoeding die de man vordert voor kosten die te maken hebben met het gebruik van de woning worden weggestreept tegen de gebruiksvergoeding van de vrouw. Dat betekent dat de vrouw geen bijdrage in de hypotheekrente meer hoeft te betalen.
Spaarverzekering en levensverzekering
5.27.
De man vordert vergoeding van de helft van de door hem betaalde premies voor de spaarverzekering en de levensverzekering in de maanden van 1 augustus 2017 tot en met 1 april 2026. Deze vordering bedraagt € 24.695,84 (€ 474,92 x 104 maanden / 2).
5.28.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw dit bedrag aan de man moet vergoeden. De man heeft namelijk op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro een vergoedingsrecht als hij meer heeft betaald dan zijn deel van de schuld. De man heeft onbetwist gesteld dat dit het geval is, zodat dit vaststaat. Deze kosten beschouwt de rechtbank als eigenaarslasten, waarvan de vrouw ook baat heeft (gehad), zodat het niet redelijk is de vergoeding daarvan weg te strepen tegen de gebruiksvergoeding van de vrouw. De vrouw is daarom verplicht € 24.695,84 te vergoeden. In het geval de man het aandeel van de vrouw in de woning overneemt zal dit bedrag worden verrekend met haar overbedelingsvordering. In het geval de woning aan een derde wordt verkocht, zal dit bedrag uit de netto-opbrengst van de woning aan de man worden uitbetaald.
VvE-bijdrage
5.29.
De man vordert vergoeding van de helft van de door hem betaalde bijdrages aan de VvE. De man heeft gedurende de procedure verschillende bedragen genoemd. De vrouw betwist deze bedragen. Daarnaast voert de vrouw als verweer dat de VvE-bijdrages (deels) gebruikerslasten zijn.
5.30.
De rechtbank zal de vordering van de man afwijzen. De man heeft op grond van artikel 6:10 BW Pro een vergoedingsrecht, voor zover hij ten behoeve van een hoofdelijke schuld meer heeft betaald dan zijn deel. Naar algemene ervaringsregels zien VvE-bijdrages deels op het gebruik van de woning, zoals bijvoorbeeld schoonmaakkosten, en deels op het eigendom van de woning, zoals bijvoorbeeld groot onderhoud en een opstalverzekering. De rechtbank heeft hiervoor al toegelicht dat gebruikerslasten worden weggestreept tegen de gebruiksvergoeding van de vrouw. De man heeft dan in beginsel wel recht op een vergoeding van het deel van de VvE-bijdrage dat als eigenaarslast geldt.
5.31.
De man heeft echter niet voldaan aan zijn stelplicht. Ten eerste heeft de man niet inzichtelijk gemaakt welk bedrag hij in totaal heeft betaald aan de VvE. De man heeft in zijn processtukken in producties 1, 3 en 4 en in zijn akte na de mondelinge behandeling overzichten overgelegd, waarin hij telkens een ander bedrag heeft genoemd. De vrouw betwist deze overzichten, omdat ze niet zijn onderbouwd met stukken. Ten tweede heeft de man niet inzichtelijk gemaakt hoe de VvE-bijdrage is opgebouwd. De vrouw betwist daarom dat de VvE-bijdrage een eigenaarsdeel heeft. Op de zitting heeft de man toegezegd zijn stellingen ten aanzien van de VvE-bijdrages te onderbouwen met stukken. De man is daarom ook in de gelegenheid gesteld een akte te nemen, waar de vrouw op heeft kunnen reageren. Desondanks heeft de man in de akte na de mondelinge behandeling geen enkel stuk overlegd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of en voor welk bedrag de VvE-bijdrages uit eigenaarslasten bestonden.
Gemeentelijke belasting en waterschapsbelasting
5.32.
De man vordert verder vergoeding van de helft van de door hem betaalde gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting in de maanden van 1 augustus 2017 tot en met 1 april 2026. Deze vordering bedraagt € 7.557 (€ 66 x 229 maanden / 2). De vrouw betwist dat de man dit bedrag daadwerkelijk heeft betaald.
5.33.
De rechtbank is van oordeel dat de man geen aanspraak kan maken op vergoeding van de betaalde belastingen. Voor de belastingen geldt dat deze net als de VvE-bijdrage uit een gebruikersdeel en een eigenaarsdeel kunnen bestaan. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de vrouw het gebruikersdeel niet hoeft te vergoeden, omdat gebruikerslasten worden weggestreept tegen de gebruiksvergoeding van de vrouw. Wat betreft het eigenaarsdeel van de belastingen is de man na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld dit met stukken nader te onderbouwen. Omdat de man in de akte na de mondelinge behandeling geen stukken heeft overgelegd, vindt de rechtbank dat niet is vast komen te staan of en voor welk bedrag de belastingen uit eigenaarslasten bestonden.
Dwangmiddelen
5.34.
Partijen vorderen over en weer dwangmiddelen. Gelet op de houding van partijen gedurende de procedure, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen beiden vrijwillig vonnis zullen nakomen. De rechtbank ziet daarom op dit moment geen aanleiding om de dwangmiddelen toe te wijzen.
Proceskosten
5.35.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
6.1.
stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen als volgt vast:
6.1.1.
de vrouw zal binnen een week na de datum van dit vonnis drie makelaars voorstellen aan de man, waaruit de man vervolgens binnen een week één makelaar zal kiezen die de taxatie zal uitvoeren (hierna: de makelaar). Partijen zullen vervolgens binnen een week tezamen opdracht geven aan de makelaar om de woning te taxeren. De makelaar stelt de actuele vrije verkoopwaarde bindend vast. Beide partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn. Partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen,
6.1.2.
de woning en de spaarverzekering worden toegedeeld aan de man, onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aantoont dat hij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en (ii) de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld,
6.1.3.
indien aan de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de vrouw (haar aandeel in) de woning zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een maand bij de notaris leveren aan de man. De vrouw krijgt hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op de man. Deze vordering is gelijk aan de helft van de som van de taxatiewaarde verminderd met de actuele hypotheekschuld en vermeerderd met het saldo van de spaarverzekering. Op de overbedelingsvordering van de vrouw zal een bedrag van € 24.695,84 in mindering worden gebracht. De man moet de kosten betalen van de levering bij de notaris van (het aandeel van de vrouw in) de woning.
6.1.4.
indien niet aan de hiervoor onder 6.1.2 genoemde voorwaarden wordt voldaan, zullen partijen de woning verkopen en leveren aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen gezamenlijk binnen twee weken een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraagprijs en de laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten,
6.1.5.
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder maar niet beperkt tot het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het bezichtigen van de woning door potentiële kopers,
6.1.6.
partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit ten minste gelijk is aan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen,
6.1.7.
partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering,
6.1.8.
partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. Ieder van partijen krijgt de helft van de overwaarde. Als sprake is van een tekort (een onderwaarde), moeten partijen ieder de helft van dit tekort betalen. Partijen zullen de notaris opdracht geven uit het deel van de vrouw een bedrag van € 24.695,84 aan de man te betalen,
6.1.9.
de aan de hypothecaire geldlening verbonden spaarverzekering wordt afgekocht. Ieder van partijen krijgt de helft van de opbrengst,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de verdeling van de eenvoudige gemeenschap uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
3669

Voetnoten

1.HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3105.
2.Artikel 10:10 BW Pro.