ECLI:NL:RBDHA:2026:17749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.16145
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen einddatum verblijfsdocument verzorgende ouder minderjarig kind

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor vernieuwing van haar verblijfsdocument als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind, waarbij zij een geldigheidsduur van vijf jaar verwachtte. Verweerder stuurde een kennisgeving met een geldigheidsduur van vijf jaar, maar vermeldde op het afgegeven verblijfsdocument een einddatum die samenvalt met de meerderjarigheid van het jongste kind.

Eiseres ging in bezwaar tegen deze einddatum, maar dit bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat eiseres had kunnen begrijpen dat de vijf jaar een verschrijving was gezien de aard van de aanvraag en de minderjarige status van haar kinderen.

Daarnaast is de vraag naar bijzondere afhankelijkheid van het meerderjarige kind buiten de reikwijdte van deze procedure, en de stelling dat het te belastend is om een nieuwe aanvraag in te dienen wegens medische omstandigheden kan niet worden beoordeeld in dit beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de einddatum van haar verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en de einddatum van 28 augustus 2026 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16145

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het ongegrond verklaren van het bezwaar van eiseres tegen het bepalen van de einddatum van haar vergunning op 28 augustus 2026. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Eiseres had kunnen begrijpen dat het vermelden in de kennisgeving van een geldigheidsduur van vijf jaar een verschrijving was, omdat de aanvraag betrekking heeft op eiseres als ouder van Nederlandse
minderjarige kinderen. Dat blijkt uit de tekst van het aanvraagformulier. Haar kinderen waren ook minderjarig ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit. Ook staat op het aanvraagformulier vermeld dat als het Nederlandse minderjarige kind binnen 5 jaar na de aanvraag meerderjarig wordt, het verblijfsdocument dan geldig is tot de dag waarop het kind 18 jaar oud wordt. Verweerder mocht de foutieve mededeling in de kennisgeving corrigeren en op het verblijfsdocument 28 augustus 2026 als einddatum vermelden
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend “vernieuwing verblijfsdocument EU voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind” voor de duur van vijf jaar.
2.1.
Verweerder heeft eiseres in een kennisgeving van 11 december 2024 laten weten dat hij van plan is eiseres een verblijfsdocument te geven voor vijf jaar. Vervolgens heeft verweerder op het voor dit doel afgegeven verblijfsdocument als einddatum 28 augustus 2026 vermeld. Tegen deze einddatum is eiseres in bezwaar gegaan. In het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, als tolk A. Abdelfattah en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat staat er in het primaire besluit en het bestreden besluit?
3. Eiseres heeft de hiervoor onder 2. vermelde aanvraag ingediend. Verweerder heeft eiseres vervolgens een kennisgeving van 11 december 2024 gestuurd en vermeld dat hij van plan is eiseres een verblijfsdocument te geven met daarop onder meer de volgende gegevens:
“* De geldigheidsduur: 5 jaar.
* De beperking: Residency card for a family member of an EU citizen.
* De arbeidsmarktaantekening: Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

Bijzonderheden over uw verblijfsrecht

U hebt een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van Pro het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), als het familielid van
een Nederlander. (…..) U hebt gezinsleven met uw minderjarige kind. In dit besluit heb ik vastgesteld dat u verblijfsrecht hebt als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind op grond van artikel 20 VWEU Pro.”
3.1.
Vervolgens heeft eiseres haar verblijfsdocument opgehaald. Op dit document staat als einddatum 28 augustus 2026 vermeld, zijnde twee dagen nadat het jongste kind van eiseres meerderjarig wordt.
3.2.
Eiseres is in bezwaar gegaan tegen het feit dat de einddatum op het verblijfsdocument 28 augustus 2026 is en het document niet voor vijf jaar is afgegeven, zoals in de brief van 11 december 2024 staat vermeld. Deze brief vormt samen met het verblijfsdocument het primaire besluit. In het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de einddatum van 28 augustus 2026 gebleven.
Kan eiseres een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
4. Eiseres vindt dat verweerder een verblijfsdocument voor vijf jaar had moeten afgeven, zoals hij in de kennisgeving van 11 december 2024 heeft aangekondigd. Eiseres mocht erop vertrouwen dat die vijf jaar klopte, want het betrof een ondubbelzinnige toezegging van het bevoegde bestuursorgaan, er vloeit geen nadeel voor derden uit voort en verweerder heeft geen bijzondere belangen gesteld om op de toezegging terug te komen.
4.1.
Verweerder vindt dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Dat in de kennisgeving staat dat het verblijfsdocument vijf jaar geldig zou zijn, is een duidelijke verschrijving. Eiseres kon dit ook weten. De aanvraag betrof een aanvraag op basis van het arrest Chavez-Vilchez [1] en dat heeft betrekking op verblijf van een verzorgende ouder bij een minderjarig Nederlands kind. Op grond van het arrest K.A. [2] kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen van bijzondere afhankelijkheid ook bij een meerderjarig kind een afgeleid verblijfsrecht voor een verzorgende ouder ontstaan. Er kan pas worden beoordeeld of aan deze voorwaarden wordt voldaan, nadat het jongste kind meerderjarig is geworden. Indien de toets eerder zou worden gedaan, komt eiseres reeds niet in aanmerking, omdat haar kinderen nog minderjarig zijn en ze op die grond al recht op verblijf heeft op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Dat een duur van vijf jaar is genoemd in de kennisgeving, kan niet los worden gezien van het feit dat het een aanvraag als verzorgende ouder van Nederlands
minderjarige kinderen betrof, dus de genoemde vijf jaar kan niet anders dan een verschrijving zijn.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres had kunnen begrijpen dat het vermelden van een geldigheidsduur van vijf jaar een verschrijving was, omdat de aanvraag betrekking heeft op eiseres als ouder van Nederlandse minderjarige kinderen. Dat blijkt uit de tekst van het aanvraagformulier. Ook staat op het aanvraagformulier vermeld dat als het Nederlands minderjarig kind binnen 5 jaar na de aanvraag meerderjarig wordt, het verblijfsdocument dan geldig is tot de dag waarop het kind 18 jaar oud wordt. Deze situatie deed zich voor.
Beide kinderen van eiseres waren zowel ten tijde van de aanvraag als ten tijde van het primaire besluit minderjarig, zodat eiseres had kunnen begrijpen dat de verlenging van de verblijfsvergunning zich zou beperken tot het moment dat haar beide kinderen meerderjarig zouden worden. Daarom komt verweerder het recht toe om de foutieve mededeling in de kennisgeving te corrigeren en op het verblijfsdocument de juiste einddatum te vermelden, namelijk het moment dat het jongste kind meerderjarig wordt. Dit is op 25 augustus 2026. Verweerder heeft per abuis het verblijfsdocument laten eindigen op 28 augustus 2026 en besloten dit kleine verschil in het voordeel van eiseres zo te laten. Daar is eiseres niet tegen opgekomen, zodat de rechtbank dit verder onbesproken zal laten. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan worden toegekomen aan een beoordeling van eventuele bijzondere afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoon?
5. Eiseres vindt ook dat verweerder een verblijfsdocument voor vijf jaar had moeten afgeven, vanwege de bijzondere afhankelijkheid van haar zoon van haar. Haar zoon is 7 juli 2025 meerderjarig geworden. Uit het arrest Wuppertal volgt dat de eis van afhankelijkheid altijd geldt en niet pas na meerderjarigheid, de bewijslast wordt dan alleen zwaarder. Uit de stukken blijkt dat sprake is van bijzondere afhankelijkheid tussen haar en haar zoon.
5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vraag naar eventuele bijzondere afhankelijkheid pas aan de orde komt bij een aanvraag voor verblijf als verzorgende ouder bij een
meerderjarig Nederlands kind. Die aanvraag is nog niet gedaan en ligt dus niet voor.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat onderhavige aanvraag alleen betrekking heeft op de periode dat de kinderen van eiseres minderjarig zijn, dus de periode tot 26 augustus 2026. De vraag of na die datum sprake is van bijzondere afhankelijkheid valt buiten dit beroep. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het te belastend voor eiseres om een nieuwe aanvraag in te dienen?
6. Ook de stelling van eiseres dat het gezien haar sinds 25 maart 2026 (zeer) fragiele medische situatie voor haar te belastend is om een nieuwe aanvraag vanwege meerderjarigheid van haar kinderen te moeten indienen, heeft geen betrekking op het bestreden besluit en kan daarom niet in dit beroep worden beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (Chavez-Vilchez).
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 (K.A.).