ECLI:NL:RBDHA:2026:17765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL24.31835 en NL25.21190
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.71 VbArt. 3.71 lid 1 VbArt. 3.71 lid 2 VbArt. 3.71 lid 3 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor gezinshereniging met echtgenoot

Eiser, van Somalische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning om bij zijn echtgenoot in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel.

De rechtbank oordeelt dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de belangenafweging en dat het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eiser bij gezinsleven in Nederland. Er is geen sprake van objectieve of subjectieve belemmeringen om het gezinsleven elders uit te oefenen, en het middelenvereiste is niet voldaan.

Eiser voerde aan dat de hardheidsclausule toegepast moest worden vanwege zijn vrees voor vervolging in Somalië, maar dit werd verworpen omdat asielgerelateerde gronden geen reden zijn voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk, maar eiser krijgt proceskosten vergoed wegens de overschrijding van de beslistermijn.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat in de hoofdzaak reeds is beslist. De rechtbank bevestigt dat geen schending van artikel 8 EVRM Pro is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; proceskosten worden vergoed wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.31835 en NL25.21190
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter (de rechtbank) op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] op [geboortedag] 1990, van Somalische nationaliteit, eiser/verzoeker

(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna: eiser) voor een verblijfsvergunning met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (zijn echtgenote en in deze procedure referente). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft de zaken op 28 mei 2026 op een zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, referente, mr. J.P.E. Huisman als (waarnemend) gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Ook was de heer A. Ikar, als tolk Somalisch aanwezig.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, het beroep niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeelt komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser komt uit Somalië en verblijft naar eigen zeggen vanaf juni 2023 in Nederland. Voordat eiser in Nederland verbleef heeft hij een asielaanvraag in Zweden gedaan. Deze aanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 22 februari 2024 onderhavige aanvraag ingediend. Eiser beoogt verblijf in Nederland bij zijn echtgenote. Eiser en referente zijn in 2018 gehuwd in Kenia en wonen momenteel in gezinsverband samen in Nederland met de zoon van referente (stiefzoon van eiser).
2.1.
Bij besluit van 18 juli 2024 is de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 13 augustus 2024.
2.2.
Op 9 mei 2025 heeft eiser een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.
2.3.
Op 13 mei 2025 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eisers beroep richt zich thans tegen dit besluit. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening.
Het bestreden besluit
3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] bestaat geen aanleiding. Hoewel sprake is van gezinsleven, valt de belangenafweging in het nadeel van eiser uit en verder is niet gebleken van beschermingswaardig privéleven. Het tegenwerpen van het mvv-vereiste is ook niet in strijd met de hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb. Er zijn geen omstandigheden bekend geworden die voldoende onderscheidend zijn om de hardheidsclausule toe te passen en eiser behoort niet tot de categorie bijzondere gevallen, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM
4. Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vb [2] wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld, de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM zou zijn.
5. Niet in geschil is dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen eiser en referente. In geschil is of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. Eiser voert aan dat het bestreden besluit strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens eiser zijn er namelijk objectieve en subjectieve belemmeringen om het familieleven elders uit te oefenen nu zowel eiser als referente te vrezen hebben voor hun veiligheid in Somalië. Verder wijst eiser op de lange verblijfsduur van referente in Nederland en het feit dat haar kinderen in Nederland wonen. Tot slot is volgens eiser ten onrechte het middelenvereiste in eisers nadeel meegewogen en eiser beroept zich in dit kader op de individuele situatie onder verwijzing naar de arresten Chakroun en Khachab. [3]
5.1.
De rechtbank moet beoordelen of verweerder in de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar heeft betrokken. Dat toetst de rechtbank vol. Als dat zo is, zal de rechtbank beoordelen of verweerder de afweging tussen enerzijds het belang van eiser bij de uitoefening van het gezinsleven met zijn gezin in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. De uitkomst van de door verweerder gemaakte belangenafweging moet de bestuursrechter enigszins terughoudend toetsen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in haar belangenafweging heeft betrokken. Dit is ook door eiser op de zitting erkend. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser.
5.3.
Zo heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland en familieleven is gaan uitoefenen zonder dat hij hier mocht verblijven. De gevolgen van die keuze komen voor eisers eigen rekening en risico.
5.4.
Ook is niet gebleken van objectieve of subjectieve belemmeringen voor eiser en referente om het gezinsleven in Somalië of elders uit te oefenen. In dit kader brengt verweerder terecht naar voren dat de door eiser en referente aangevoerde vrees voor hun veiligheid asielmotieven zijn en deze stelling ook niet is onderbouwd. Verder is de zoon van referente meerderjarig en is niet gebleken van andere omstandigheden die het vertrek van eiser of referente in de weg staan. Daarbij overweegt de rechtbank dat het recht op familieleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM geen vrije keuze geeft van het land waar men wil gaan wonen en dat referente niet gedwongen wordt om met eiser mee te gaan. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser en referente pas relatief kort samenwonen, jarenlang hun huwelijk op afstand hebben onderhouden en van hen gevraagd kan worden om dit eventueel weer te doen in afwachting van de mvv-aanvraag.
5.5.
Verder heeft verweerder in het kader van het economisch belang van Nederland in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Eisers beroep op de arresten Chakroun en Khachab en op de individuele situatie slaagt niet. Eiser heeft in dit kader slechts gesteld, maar niet met objectieve stukken inzichtelijk gemaakt, dat referente voldoende verdient om van te leven. Eiser heeft weliswaar wat inkomensgegevens en in beroep nog vermogensgegevens overgelegd, maar met deze gegevens is op geen enkele wijze onderbouwd en inzichtelijk gemaakt hoe de financiële situatie van eiser en referente is. Uit die gegevens blijkt niet wat hun in- en uitgaven zijn en of referente op basis daarvan voldoende verdient om in hun specifieke geval van te leven. Eisers intentie om in de toekomst financieel bij te dragen maakt dit niet anders.
5.6.
Ten aanzien van eisers privéleven in Nederland heeft verweerder tot de conclusie kunnen komen dat eiser geen beschermenswaardig privéleven in het kader van artikel 8 EVRM Pro heeft in Nederland. Eiser heeft zijn privéleven in Nederland grotendeels opgebouwd tijdens zijn onrechtmatig verblijf. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [4] volgt dat wanneer privéleven is opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf, dat privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting voor verweerder om dat privéleven te laten voortzetten en dus een reden kan zijn om iemand niet uit te zetten. In dit geval is niet gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden. Hiervoor is het ondersteunen van zijn echtgenote, voetballen met vrienden en enkele foto’s niet genoeg. Ook de toelichting op de zitting dat eiser zich inzet voor zijn integratie, connecties opbouwt en zich in Nederland aan de regels houdt, is onvoldoende om als bijzondere omstandigheden aan te merken.
5.7.
Gelet op het voorgaande, en alle feiten en omstandigheden in samenhang beschouwd, heeft verweerder de belangenafweging in eisers nadeel mogen laten uitvallen en is niet ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule
6. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder toepassing moet geven aan de hardheidsclausule. Het blijven vasthouden aan het mvv-vereiste door verweerder is onredelijk bezwarend, omdat eiser vreest voor vervolging in Somalië. Er is sprake van bijzondere persoonlijke feiten en omstandigheden, in combinatie met het voldoen aan de materiële vereisten, wat zou moeten leiden tot vrijstelling van het mvv- vereiste, aldus eiser.
6.1.
Verweerder kan op grond van artikel 3.71, derde lid, van het Vb, alsnog vrijstelling verlenen van het mvv-vereiste, op grond van de zogeheten hardheidsclausule. Daarin staat dat vrijstelling van het mvv-vereiste kan worden verleend indien er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Van deze bevoegdheid wordt alleen in zeer bijzondere gevallen gebruik gemaakt. Verweerder heeft deze bevoegdheid onder andere nader ingevuld in artikel B1/4.1.4 van de Vc [5] . Daarin staat opgenomen in welke gevallen de hardheidsclausule in ieder geval niet wordt toegepast. Dit is onder meer het geval als de vreemdeling asiel gerelateerde gronden aanvoert.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet heeft hoeven vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De vrees voor vervolging in Somalië is een asiel gerelateerd grond, waarvan specifiek in de regelgeving is benoemd dat dit geen grond is voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarnaast is ook niet gebleken dat eiser voldoet aan alle materiële vereisten voor een mvv nu niet wordt voldaan aan het middelenvereiste.
Niet tijdig nemen van een besluit
7. Eiser heeft verweerder op 18 april 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Verweerder heeft de ingebrekestelling ontvangen en eiser heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment nog niet op het bezwaar was beslist terwijl de beslistermijn al was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was.
7.1.
Nu verweerder inmiddels wel op het bezwaar van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is om die reden niet-ontvankelijk.
7.3
Omdat de beslistermijn door verweerder is overschreden en verweerder pas na deze overschrijding een besluit heeft genomen op het bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet-tijdig beslissen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-. [6]
9. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Eiser krijgt hiervoor dan ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, nu al in de hoofdzaak is beslist.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010 (C-578/08. Chakroun, ECLI: EU:C:2010:117) en 21 april 2016 (C-558/14, Khachab, ECLI:EU:C:2016:285.
4.ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.
5.Vreemdelingencirculaire 2000 (B).
6.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 967,- en een wegingsfactor ½.