ECLI:NL:RBDHA:2026:1779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696357 KG ZA 25-1252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17h WbkArt. 3:40 BWArt. 3:41 BWArt. 6:119 BWArt. 21 Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op verspreiding vertrouwelijke informatie na beëindiging dienstverband bij Amerikaanse overheid

De zaak betreft een kort geding tussen de Verenigde Staten en een voormalig medewerker die informatie over de DEA en haar informanten openbaar heeft gemaakt. De Verenigde Staten vordert een verbod op verdere verspreiding van vertrouwelijke informatie die de ex-werknemer via zijn dienstverband heeft verkregen, met een dwangsom bij overtreding.

De ex-werknemer werkte sinds 2003 voor de Amerikaanse overheid, onder meer als Security Investigator bij de ambassade in Den Haag. Hij maakte onder meer gebruik van een geheimhoudingsbeding uit het Employee Handbook, dat ook na beëindiging van het dienstverband geldt. De ex-werknemer heeft echter vertrouwelijke WhatsApp-gesprekken en documenten aan de pers verstrekt, wat leidde tot publicaties over DEA-operaties en informanten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het geheimhoudingsbeding een postcontractuele verplichting inhoudt en dat het ex-werknemer verboden is persoonsgegevens van DEA-medewerkers en informanten, alsmede informatie over lopende onderzoeken, openbaar te maken. Wel staat het hem vrij om over de aard van zijn werkzaamheden en misstanden te spreken, mits zonder schending van het beding.

De rechtbank wijst het gevorderde verbod toe, beperkt tot het delen van informatie over personen en lopende onderzoeken, en legt een gematigde dwangsom op. Vorderingen tot afgifte van informatie en opgave van met wie informatie is gedeeld worden afgewezen. De ex-werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de ex-werknemer om vertrouwelijke informatie over DEA-medewerkers en lopende onderzoeken te verspreiden en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696357 KG ZA 25-1252
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKAte Washington, District of Columbia,
eiser,
advocaten: mrs. L.J. Böhmer, D.D. Zorab en H.J.P. Hof,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
in persoon.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Verenigde Staten’ (mannelijk enkelvoud) en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 januari 2026 met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2.
Op 13 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden.
1.3.
De Verenigde Staten heeft verzocht om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. De Verenigde Staten heeft dat verzoek gemotiveerd met een beroep op – kort gezegd – de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van informanten van de DEA, DEA-medewerkers en hun familieleden en naasten, en het belang bij geheimhouding van de handelwijze van de DEA en details over lopende onderzoeken. [gedaagde] deelde mee geen reden te zien voor sluiting van de deuren.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting gewezen op het belang van (het beginsel van) openbaarheid en heeft met partijen gezocht naar een oplossing voor het bezwaar van de Verenigde Staten. Daaruit is voortgekomen, en zo heeft de voorzieningenrechter ter zitting bepaald, dat de mondelinge behandeling in het openbaar zal plaatsvinden, met dien verstande dat partijen is verzocht niet te spreken over namen van DEA-medewerkers en -informanten en geen feiten of omstandigheden te noemen die herleidbaar zijn naar deze personen en hun functies, en niet te spreken over nog lopende onderzoeken van de DEA. Indien een van partijen het voor het bepleiten haar standpunt van belang zou vinden zich toch over dergelijke namen c.q. feiten of omstandigheden uit te laten, dan zou de voorzieningenrechter alsnog (zo mogelijk kortstondig) tot sluiting van de deuren overgaan. Partijen hebben met deze procesafspraak ingestemd. Nadien heeft geen van partijen aanspraak gemaakt op het sluiten van de deuren.
1.5.
Partijen hebben vervolgens hun standpunten toegelicht. Aan het slot van de behandeling is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is in augustus 2003 in dienst getreden bij het Amerikaanse Consulaat-Generaal in Istanbul, Turkije, waar hij als Investigator heeft gewerkt. Zijn werkzaamheden bestonden grotendeels uit het werven, instrueren, debriefen en uitbetalen van (criminele) informanten. Na de arrestatie van een collega van [gedaagde] in Turkije is [gedaagde] met zijn familie op 29 september 2017 uit Turkije naar Nederland vertrokken.
2.2.
Per 26 november 2017 is [gedaagde] in dienst getreden bij de Ambassade van de Verenigde Staten in Den Haag, waar hij als Security Investigator is aangesteld. Artikel 1 sub c van Pro de arbeidsovereenkomst bepaalt dat het Employee Handbook en Local Compensation Plan een integraal onderdeel van de arbeidsovereenkomst uitmaken. Op pagina 36 van het Employee Handbook is een geheimhoudingsbeding opgenomen, dat voor zover relevant, als volgt luidt:
INFORMATION SECURITY/CONFIDENTIALITY
Many LE Staff work with official USG information marked “Sensitive But Unclassified” (SBU). It is the duty of every employee to protect SBU information through appropriate marking of SBU materials, restricting access of SBU information to a “need-to-know” basis, and ensuring distribution of SBU information is permissible and, when required, specifically authorized. LE Staff shall not directly or indirectly, for the purpose of furthering a private (i.e., financial gain or possible financial benefit) or public interest (i.e., furtherance of foreign government goals), use or allow the use of official information obtained through or in connection with their USG employment. Misuse of information gained through an employee’s position at the Mission may be cause for disciplinary action, up to and including separation.
Many LE Staff also have access to personally identifiable information (PII) such as personnel, payroll, medical, passport, home address or social security data about employees as well as contacts of the Mission. LE Staff are prohibited from disclosing such sensitive information to people who do not have a professional need to know. Disclosing sensitive information, including PII, (which can be as simple as informally gossiping about someone or something) is a serious offense which may lead to discipline, up to and including separation.”
2.3.
Op 18 oktober 2021 heeft een gesprek tussen [gedaagde] en zijn leidinggevende plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde] (in ieder geval) aangekaart dat hij een functieschaal te laag zou zijn ingeschaald en dat hij ten onrechte andere (financiële) arbeidsvoorwaarden misliep. Op 19 oktober 2021 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld.
2.4.
Op 26 januari 2022 heeft [gedaagde] per e-mail contact gezocht met de toenmalige Chargé d’Affaires. In de e-mail verzoekt [gedaagde] om een gesprek en geeft hij aan dat de DEA haar personeel niet correct behandelt en fouten maakt bij de uitvoering van haar activiteiten in Nederland.
2.5.
Op 25 november 2022 heeft [gedaagde] de Office of Civil Rights van het Department of State van de Verenigde Staten verzocht om een discriminatieonderzoek te starten en om als mediator in het geschil op te treden. In december 2022 heeft de Verenigde Staten aangegeven dat de functie van [gedaagde] zal komen te vervallen vanwege een reorganisatie bij de DEA.
2.6.
In maart en april 2023 hebben partijen gecorrespondeerd over een vaststellingsovereenkomst, hetgeen niet tot overeenstemming heeft geleid. Vervolgens heeft de Verenigde Staten het dienstverband van [gedaagde] per 1 oktober 2024 beëindigd. In de beëindigingsbrief heeft de Verenigde Staten [gedaagde] expliciet op het geheimhoudingsbeding uit het Employee Handbook gewezen en aangegeven dat de daaruit voortvloeiende verplichtingen ook na het eindigen van de arbeidsovereenkomst van kracht zijn.
2.7.
[gedaagde] heeft vervolgens contact gezocht met de U.S. Office of Special Counsel. De U.S. Office of Special Counsel heeft [gedaagde] medegedeeld dat zij geen jurisdictie heeft en de zaak daarom niet zal oppakken.
2.8.
Op 29 november 2024 is [gedaagde] een procedure bij de kantonrechter gestart, waarin hij, kort samengevat, verzoekt de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en voor recht te verklaren dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid.
2.9.
Op 16 december 2024 heeft [gedaagde] de ambassadeur van de Ambassade van de Verenigde Staten per e-mail bericht dat sprake is van systematisch racisme bij de Ambassade en dat hij is blootgesteld aan illegale en onveilige werkomstandigheden. [gedaagde] heeft aangegeven dat hij een procedure is gestart tegen de Verenigde Staten en dat hij zijn politieke connecties daarvan heeft ingelicht.
2.10.
Op 21 mei 2025 heeft [gedaagde] zich tot het Huis voor Klokkenluiders gewend met een verzoek om onderzoek te doen naar vermeende misstanden en een verzoek om onderzoek te doen naar de wijze waarop de Verenigde Staten zich jegens [gedaagde] heeft gedragen. Het Huis voor Klokkenluiders heeft [gedaagde] enkele maanden later medegedeeld dat zij geen onderzoek zal instellen.
2.11.
Op 6 juni 2025 heeft [gedaagde] een e-mail naar diverse Amerikaanse functionarissen verstuurd, waarin hij de DEA verwijt onrechtmatig te handelen in Nederland, de Europese Unie en het Midden-Oosten. [gedaagde] heeft een DEA-formulier bij de e-mail bijgevoegd dat hij heeft gebruikt om een betaling aan een informant te documenteren. [gedaagde] vermeldt op welke data hij nog meer betalingen aan informanten heeft verricht en op welke wijze die betalingen hebben plaatsgevonden. Volgens [gedaagde] moet het brede publiek op de hoogte worden gebracht van deze gang van zaken. Indien de Verenigde Staten niet tijdig op zijn bericht reageren, zal [gedaagde] maatregelen treffen zoals bekendmaking van informatie aan zijn politieke partij, de Belgische regering, toezichthoudende commissies van het Amerikaanse Congres en diverse mediakanalen in Nederland, de Europese Unie en de Verenigde Staten.
2.12.
Op 13 november 2025 is een artikel met de titel “Hoe de Amerikaanse drugsbestrijders een Nederlandse crimineel betaalden voor een gouden tip” in de NRC verschenen. In het artikel is onder andere gedetailleerd beschreven hoe een informant informatie uit het criminele circuit met de DEA heeft gedeeld en op welke wijze en waar de informant werd betaald. Vervolgens is op 16 november 2025 een artikel in De Gelderlander verschenen waarin het leven van de betreffende informant is omschreven. Ook is een interview met leden van zijn adoptiefamilie in het artikel verwerkt.
2.13.
Op 21 november 2025 heeft [gedaagde] screenshots van WhatsApp-gesprekken waarin informatie over de handelwijze van de DEA, haar medewerkers en informanten staat, overgelegd in de procedure bij de kantonrechter.
2.14.
Op 25 november 2025 is een tweede artikel in de NRC verschenen met de titel “Ex-medewerker: Amerikaanse drugsbestrijders DEA ‘opzettelijk’ illegaal actief in Nederland”, waarin wordt beschreven dat [gedaagde] jaren voor de DEA heeft gewerkt en wat voor werkzaamheden hij heeft uitgevoerd. Ook is in het artikel de handelwijze van de DEA omschreven en de wijze waarop informanten worden ingezet.

3.Het geschil

3.1.
De Verenigde Staten vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter van de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. aan [gedaagde] een verbod oplegt om informatie te verspreiden over de DEA, althans om informatie te verspreiden die [gedaagde] via of in verband met zijn dienstverband bij de Verenigde Staten, althans de Ambassade heeft verkregen, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000.000;
II. [gedaagde] beveelt om binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten onderbouwd aan te geven over welke vertrouwelijke en persgevoelige informatie [gedaagde] beschikt via of in verband met zijn dienstverband bij de Verenigde Staten, althans de Ambassade, en deze informatie binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten af te geven, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000.000;
III. [gedaagde] beveelt om binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten onderbouwd aan te geven wanneer hij welke informatie over de werkwijze van de DEA met wie heeft gedeeld, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000.000;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De Verenigde Staten legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat partijen een geheimhoudingsbeding zijn overeengekomen dat ook na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] voortduurt. [gedaagde] handelt volgens de Verenigde Staten in strijd met het geheimhoudingsbeding. Daarnaast weegt het recht op leven en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van medewerkers en informanten van de Verenigde Staten zwaarder dan het belang van [gedaagde] om informatie openbaar te maken. Met deze vordering dient de Verenigde Staten ook het belang van hun werknemers/dienstverleners voor wie zij opkomt: [gedaagde] handelt jegens hen onrechtmatig als hij informatie naar buiten brengt die hun veiligheid (en die van hun naasten) in gevaar brengt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de Verenigde Staten in de daadwerkelijk gemaakte juridische kosten van [gedaagde] dan wel de proceskosten. Het verweer van [gedaagde] wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Het verbod om informatie te verspreiden
Spoedeisend belang
4.1.
De Verenigde Staten heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Het gaat er in de kern in deze zaak om of (het aannemelijk is dat) [gedaagde] in strijd handelt met het geheimhoudingsbeding uit zijn inmiddels geëindigde arbeidsovereenkomst respectievelijk onrechtmatig handelt (of dreigt te handelen) jegens informanten, DEA-medewerkers, hun familieleden en lopende door hen en onderzoeken in gevaar te brengen als gevolg van uitlatingen in het publieke domein. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van de Verenigde Staten geldt dat er een duidelijk spoedeisend belang is bij het treffen van een of meer voorlopige voorzieningen.
Rechtsmacht, toepasselijk recht
4.2.
De rechtsmacht van de voorzieningenrechter volgt uit artikel 21 respectievelijk Pro artikel 4 lid 1 van Pro de Verordening Brussel I-bis.
4.3.
Partijen hebben niet de vraag behandeld welk recht op de vorderingen van de Verenigde Staten van toepassing is. Zij hebben hun betogen kennelijk volledig geënt op de toepassing van het Nederlandse recht. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat partijen hebben gekozen voor de toepassing van het Nederlandse recht, zowel op de vordering van de Verenigde Staten gebaseerd op schending van het geheimhoudingsbeding als op de op onrechtmatige daad gefundeerde vordering in het belang van de personen (nauw betrokken derden, al of niet in loondienst) die door het verweten gedrag van [gedaagde] schade dreigen te lijden.
Uitleg van het geheimhoudingsbeding
4.4.
In het Employee Handbook, dat onderdeel uitmaakt van de (inmiddels geëindigde) arbeidsovereenkomst tussen de Verenigde Staten en [gedaagde] , is op pagina 36 een geheimhoudingsbeding opgenomen. De Verenigde Staten vordert nakoming van dit geheimhoudingsbeding, maar partijen verschillen van mening over de uitleg en daarmee reikwijdte van het geheimhoudingsbeding. De voorzieningenrechter moet het geheimhoudingsbeding daarom uitleggen.
4.5.
Volgens de Verenigde Staten is [gedaagde] verplicht om alle informatie die hem uit hoofde van of in verband met zijn dienstverband voor de Verenigde Staten bekend is vertrouwelijk te behandelen en mag hij deze informatie niet direct of indirect (laten) gebruiken voor private of publieke belangen. Daarnaast stelt de Verenigde Staten zich op het standpunt dat het geheimhoudingsbeding ook na het eindigen van de arbeidsovereenkomst voortduurt, ook al is dit niet expliciet in het geheimhoudingsbeding opgenomen. Dit volgt volgens de Verenigde Staten uit de aard van het beding en uit vaste rechtspraak. [gedaagde] heeft niet betwist dat het geheimhoudingsbeding na het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst voortduurt. [gedaagde] stelt echter dat het geheimhoudingsbeding nietig is voor zover dat zijn recht beperkt om misstanden te melden of openbaar te maken. [gedaagde] beroept zich in dat kader op artikel 17h Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) en de artikelen 3:40 en 3:41 Burgerlijk Wetboek (BW).
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het voldoende aannemelijk is dat het geheimhoudingsbeding (ook) een postcontractuele verbintenis betreft omdat dit voortvloeit uit de aard en strekking van de betreffende verbintenis, zelfs nu het geheimhoudingsbeding niet expliciet bepaalt dat het ook na het eindigen van de arbeidsovereenkomst voortduurt.
4.7.
Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of [gedaagde] , zoals de Verenigde Staten betoogt, in het geheel geen informatie openbaar mag maken die hij heeft verkregen uit hoofde van of in verband met zijn dienstverband voor de Verenigde Staten. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding brengt in de eerste plaats met zich dat [gedaagde] niet direct of indirect (persoons)gegevens van DEA-medewerkers en informanten openbaar mag maken. Het geheimhoudingsbeding bepaalt immers expliciet dat [gedaagde] geen ‘personally identifiable information (PII)’ mag delen met personen die deze informatie niet nodig hebben voor hun werk voor de Verenigde Staten. Hieronder valt vanzelfsprekend ook het delen van (persoons)gegevens die
herleidbaarzijn tot specifieke DEA-medewerkers en informanten. Een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding brengt verder met zich dat [gedaagde] geen informatie over nog
lopendeonderzoeken van de DEA en de daarbij gebezigde methodieken openbaar mag maken. Voor lopende onderzoeken geldt dat informatie daarover de kans op onthulling van de identiteit van de daarbij betrokken personen (en daarmee: hun naasten), mogelijk vergroot. [gedaagde] is dan ook gehouden is geen uitlatingen tegenover derden te doen over medewerkers en informanten van de DEA met inbegrip van feiten en omstandigheden die gelegenheid kunnen geven de bij de activiteiten betrokken personen te traceren en over de opzet en gang van zaken bij nog lopende onderzoeken. Dat betekent dat het [gedaagde] ook verboden is aan derden inzage te geven in stukken die hij (nog) in bezit heeft uit hoofde van zijn (geëindigde) dienstverband zoals correspondentie, formulieren, WhatsApp-gesprekken en foto’s die verband houden met zijn werk voor de Verenigde Staten, voor zover zich daarin informatie bevindt over de identiteit van namens of ten behoevende DEA betrokken personen dan wel informatie waarmee deze personen herleidbaar zijn dan wel voor zover zich daarin informatie bevindt over lopende onderzoeken. Ook staat het [gedaagde] niet vrij geluidsopnamen te verspreiden of aan derden te laten horen voor zover die opnamen (geheel of gedeeltelijk) betrekking hebben op operaties/onderzoeken waarbij [gedaagde] uit hoofde van zijn functie betrokken is geweest, vanwege hetzelfde risico dat daaruit voort kan vloeien voor bij de activiteiten van de DEA betrokken personen en hun naasten.
4.8.
Het voorgaande betekent niet dat het [gedaagde] niet vrij zou staan aan derden mededelingen te doen over de aard van zijn werkzaamheden en misstanden die hij meent te hebben waargenomen. Uit het geheimhoudingsbeding volgt dit niet althans niet voldoende duidelijk. Van ‘slapping’, waarvan [gedaagde] gewag maakt, is in dit geval dan ook geen sprake.
4.9.
Het beroep van [gedaagde] op artikel 17h Wbk (“Elk beding is nietig voor zover dat het recht beperkt of ontneemt om met inachtneming van het bepaalde in deze wet een vermoeden van een misstand te melden of openbaar te maken”) gaat alleen al niet op omdat het geheimhoudingsbeding voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wbk is overeengekomen. Van strijd met de openbare orde of de goede zeden is, gelet op de zojuist gegeven uitleg van het geheimhoudingsbeding, geen sprake, zodat ook op die grond van nietigheid geen sprake kan zijn.
Het is aannemelijk dat [gedaagde] in strijd met het geheimhoudingsbeding heeft gehandeld
4.10.
[gedaagde] heeft in zijn e-mail van 6 juni 2025 aan diverse Amerikaanse functionarissen geklaagd over de vermeende misstanden bij de DEA. Daarbij heeft [gedaagde] gedreigd met vervolgstappen, waaronder het opzoeken van de publiciteit. Nadat een reactie vanuit de Verenigde Staten uitbleef, verscheen op 13 november 2025 een artikel met de titel “Hoe de Amerikaanse drugsbestrijders een Nederlandse crimineel betaalden voor een gouden tip” in de NRC. Uit het NRC-artikel volgt dat de NRC inzage heeft gehad in documenten, zoals WhatsApp-gesprekken. De Verenigde Staten heeft voldoende onderbouwd dat het om de WhatsApp-gesprekken tussen enerzijds [gedaagde] en anderzijds zijn DEA-collega’s en informanten gaat. Er is een duidelijke relatie tussen het NRC-artikel en de WhatsApp-gesprekken tussen [gedaagde] en zijn DEA-collega’s en informanten. Verder zijn in het NRC-artikel citaten opgenomen, afkomstig uit de betreffende WhatsApp-gesprekken van [gedaagde] . Daarmee staat voldoende vast dat [gedaagde] inzage in deze WhatsApp-gesprekken heeft gegeven aan de pers, zonder informatie die terug te voeren is naar personen buiten zicht te houden c.q. niet te delen. Een informant wordt met zijn naam ( [naam] ) in het NRC-artikel vermeld. Het ligt voor de hand dat [gedaagde] persoonsgegevens dan wel gegevens die voldoende aanknopingspunten bevatten om de identiteit van deze informant te achterhalen, heeft gedeeld met de pers. Dat laatste wordt onderstreept door een kort nadien verschenen artikel in De Gelderlander waarin het leven van [naam] is beschreven. Ook is een interview met leden van zijn adoptiefamilie in het artikel verwerkt. Verder volgt uit het NRC-artikel van 25 november 2025 dat [gedaagde] inzage aan NRC heeft gegeven in vertrouwelijke stukken. Het artikel vermeldt, voor zover relevant:

[gedaagde] is van dat verweer niet onder de indruk. ‘Ik kan met appjes en e-mails aantonen wat er is gebeurd. Op betalingsbewijzen voor informanten staat gewoon mijn handtekening. De voormalig DEA’er toonde verschillende bewijsstukken aan NRC.”
4.11.
In dit kort geding is dan ook aannemelijk dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met het geheimhoudingsbeding. Dit rechtvaardigt een voorziening. Omdat de exacte reikwijdte van het geheimhoudingsbeding niet eenvoudig valt vast te stellen, zal de voorziening uitsluitend een verbod inhouden om informatie over personen met derden te delen. Ter zitting is gebleken dat dat immers het belangrijkste is voor de Verenigde Staten, en een verbod – onder de gegeven omstandigheden – evenzeer is te baseren op handelen c.q. dreigend handelen van [gedaagde] in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid (zowel jegens de Verenigde Staten als jegens de betrokken personen). De voorzieningenrechter zal het gevorderde verbod daarom toewijzen zoals vermeld in het dictum. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing is aangewezen, mede vanwege de uitlatingen en handelingen van [gedaagde] tot op heden. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.
Informatie waarover [gedaagde] beschikt en het afgeven van deze informatie
4.12.
De Verenigde Staten vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] beveelt om onderbouwd aan te geven over welke vertrouwelijke en persgevoelige informatie [gedaagde] beschikt via of in verband met zijn dienstverband bij de Verenigde Staten, althans de Ambassade, en deze informatie binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten af te geven. In dit verband stelt de Verenigde Staten dat [gedaagde] ook toegang heeft gehad tot dossiers waar hij niet direct bij betrokken was, en dat het zeer waarschijnlijk is dat [gedaagde] daar kopieën of foto’s van gemaakt heeft. Om de veiligheid van de medewerkers, informanten en onderzoeken van de DEA te waarborgen, is het volgens de Verenigde Staten van cruciaal belang dat [gedaagde] aangeeft over welke vertrouwelijke en persgevoelige informatie hij beschikt.
4.13.
De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling gevraagd over welke vertrouwelijke informatie [gedaagde] nog beschikt. [gedaagde] heeft daarop aangegeven dat hij uitsluitend over één betaalbewijs en een aantal vertrouwelijke WhatsApp-gesprekken (die staan op zijn eigen (privé)telefoon) beschikt. [gedaagde] heeft verklaard niet over andere vertrouwelijke e-mails en documenten te beschikken. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaard dat hij alle vertrouwelijke WhatsApp-gesprekken die hij nog in bezit heeft, heeft overgelegd in de procedure bij de kantonrechter en dat hij alle overige vertrouwelijke WhatsApp-gesprekken heeft verwijderd. Nu geen aanwijzingen zijn aangedragen dat [gedaagde] over meer beschikt, heeft de Verenigde Staten geen belang (meer) bij het eerste gedeelte van deze vordering. Daar komt bij dat de Verenigde Staten niet heeft onderbouwd op welke grondslag deze vordering berust en die grondslag ook niet zonder meer is te vinden in het geheimhoudingsbeding. Ook daarom wordt het eerste gedeelte van deze vordering afgewezen.
4.14.
Gebleken is dat [gedaagde] in ieder geval nog over één DEA-formulier beschikt waarmee een betaling aan een informant is gedocumenteerd. [gedaagde] heeft immers een kopie van dit formulier aangehecht aan zijn e-mail van 6 juni 2025 en heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat hij hierover beschikt. Dergelijke informatie valt zonder twijfel onder het geheimhoudingsbeding. Nu echter de te treffen voorziening [gedaagde] verplicht geen informatie over c.q. terug te voeren tot personen met derden te delen is daarmee voorlopig verzekerd dat geen mogelijk gevaarzettende informatie naar buiten treedt. Bij een nadere voorziening bestaat niet voldoende belang.
Opgave met wie informatie is gedeeld over de werkwijze van de DEA
4.15.
De Verenigde Staten vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] beveelt om onderbouwd aan te geven met wie hij informatie over de werkwijze van de DEA heeft gedeeld en wat hij wanneer heeft gedeeld. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden welk belang van de Verenigde Staten gediend is met een dergelijke opgave, temeer nu er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagde] informatie heeft gedeeld met anderen dan de aan de Verenigde Staten door de publicaties reeds bekende pers. Bovendien wordt het belang van (werknemers en informanten van) de Verenigde Staten naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gediend met het aan [gedaagde] op te leggen, hieronder te formuleren, verbod. Deze vordering wordt afgewezen.
Op te leggen verboden en rechtsbescherming [gedaagde]
4.16.
heeft zich erop beroepen dat hij in staat moet zijn om informatie die hij niet met derden zou mogen delen wel aan de rechter bekend te maken bij het bepleiten van zijn rechtspositie in een procedure (met name zou het eventuele hoger beroep kunnen zijn in de procedure waarover binnenkort door de kantonrechter uitspraak wordt gedaan. Het verbod dat zal worden opgelegd reikt vanzelfsprekend niet zover dat [gedaagde] in zijn mogelijkheden zijn zaak tegenover de rechter te bepleiten wordt beknot en dergelijke informatie in een gerechtelijke procedure niet zou mogen gebruiken.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Verenigde Staten worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.107
- nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.173,02
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt [gedaagde] om tegenover derden uitlatingen te doen of te laten doen, over (de identiteit van) personen die – in welke hoedanigheid ook, in heden of verleden – in opdracht van de Verenigde Staten c.q. de DEA bij operaties betrokken zijn of zijn geweest, dan wel gegevens te vertrekken die redelijkerwijs aanwijzingen vormen voor het vaststellen van de identiteit van deze personen, en om aan derden inlichtingen te verstrekken over de gang van zaken bij operaties waarvan [gedaagde] weet of behoort te weten dat deze operaties nog voortduren;
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] bij overtreding van het verbod onder 5.1 een dwangsom van € 50.000 per overtreding verbeurt, met een maximum van € 250.000;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van de Verenigde Staten zijn begroot op € 2.173,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
3556