Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
herleidbaarzijn tot specifieke DEA-medewerkers en informanten. Een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding brengt verder met zich dat [gedaagde] geen informatie over nog
lopendeonderzoeken van de DEA en de daarbij gebezigde methodieken openbaar mag maken. Voor lopende onderzoeken geldt dat informatie daarover de kans op onthulling van de identiteit van de daarbij betrokken personen (en daarmee: hun naasten), mogelijk vergroot. [gedaagde] is dan ook gehouden is geen uitlatingen tegenover derden te doen over medewerkers en informanten van de DEA met inbegrip van feiten en omstandigheden die gelegenheid kunnen geven de bij de activiteiten betrokken personen te traceren en over de opzet en gang van zaken bij nog lopende onderzoeken. Dat betekent dat het [gedaagde] ook verboden is aan derden inzage te geven in stukken die hij (nog) in bezit heeft uit hoofde van zijn (geëindigde) dienstverband zoals correspondentie, formulieren, WhatsApp-gesprekken en foto’s die verband houden met zijn werk voor de Verenigde Staten, voor zover zich daarin informatie bevindt over de identiteit van namens of ten behoevende DEA betrokken personen dan wel informatie waarmee deze personen herleidbaar zijn dan wel voor zover zich daarin informatie bevindt over lopende onderzoeken. Ook staat het [gedaagde] niet vrij geluidsopnamen te verspreiden of aan derden te laten horen voor zover die opnamen (geheel of gedeeltelijk) betrekking hebben op operaties/onderzoeken waarbij [gedaagde] uit hoofde van zijn functie betrokken is geweest, vanwege hetzelfde risico dat daaruit voort kan vloeien voor bij de activiteiten van de DEA betrokken personen en hun naasten.
[gedaagde] is van dat verweer niet onder de indruk. ‘Ik kan met appjes en e-mails aantonen wat er is gebeurd. Op betalingsbewijzen voor informanten staat gewoon mijn handtekening. De voormalig DEA’er toonde verschillende bewijsstukken aan NRC.”