ECLI:NL:RBDHA:2026:17793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL25.6679
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende motivering twijfel terugkeer Iraanse echtgenoten

Eisers, een Iraans echtpaar, vroegen op 12 september 2024 een visum voor kort verblijf aan voor familiebezoek bij hun zoon in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran, waardoor twijfel bestond over hun terugkeer.

Eisers maakten bezwaar, dat door verweerder kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 11 mei 2026 en oordeelde dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting in bezwaar heeft gehouden, terwijl eisers steeds meer stukken en toelichtingen aanleverden.

Voorts concludeerde de rechtbank dat verweerder onvoldoende rekening hield met de persoonlijke omstandigheden van eisers, zoals hun eerdere legale verblijven in de EU, hun Turkse nationaliteit, en hun financiële situatie met onroerend goed en huurinkomsten. De motivering van de twijfel aan terugkeer was onvoldoende.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.6679
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag 1] 1965, eiser

[eiseres],

geboren op [geboortedag 2] 1969, eiseres
beiden van Iraanse nationaliteit,
hierna ook samen: eisers
(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Procesverloop

1. Eisers hebben ieder voor zich op 12 september 2024 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft met besluiten van 3 oktober 2024 deze aanvragen afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen die besluiten.
1.1.
Met het besluit van 15 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eiser hebben beroep ingesteld tegen het besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [zonen] (zonen) en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Besluitvorming
3. Eisers zijn echtgenoten en van Iraanse nationaliteit. Zij hebben een aanvraag ingediend tot afgifte van een visum kort verblijf met als reisdoel een familiebezoek bij hun zoon, [zoon], die in deze procedure optreedt als referent. Hij heeft zich ook garant gesteld.
3.1.
Verweerder heeft de visumaanvraag afgewezen, omdat de sociale en de economische binding met Iran onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers tijdig het Schengengebied zullen verlaten. Verweerder stelt dat, nu wordt getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur, ook wordt getwijfeld aan de juistheid van het opgegeven reisdoel. Verweerder heeft de visumaanvragen van eisers afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii en b van de Visumcode [1] .
3.2.
Verweerder weegt in het nadeel van eisers mee dat zij 59 en 55 jaar oud zijn en dat hun beide kinderen in Nederland wonen. Het standpunt van eisers in bezwaar, dat eisers zorgdragen voor hun moeders in Iran, hebben zij niet nader onderbouwd. Hierdoor is niet gebleken dat de moeders hulpbehoevend zijn en dat eisers hen daadwerkelijk verzorgen en is niet gebleken dat de sociale binding zodanig is dat de tijdige terugkeer naar Iran gewaarborgd is. Verweerder acht ten aanzien van de economische binding dat er zowel in bezwaar als bij de aanvraag geen documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat eiser daadwerkelijk werkzaam is als ‘Property Development, independent prof’. Uit de stukken volgt niet dat eiser daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten verricht waarmee hij een regelmatig en substantieel inkomen genereert. Verder acht verweerder het hebben van onroerende zaken in het land van herkomst niet als zodanige economische binding met Iran dat tijdige terugkeer naar het Iran gewaarborgd moet worden geacht. De economische binding van eiseres met Iran neemt verweerder niet in aanmerking nu zij huisvrouw is.
Beoordeling van de rechtbank
Horen in bezwaar
4. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat verweerder hen ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [2] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van de procedure. Het horen in bezwaar heeft, gelet op de wetsgeschiedenis, niet enkel het doel om een nadere mondelinge toelichting te geven. Een hoorzitting kan er ook toe dienen om nadere informatie ter beschikking te krijgen en het biedt de gelegenheid naar een oplossing voor de gerezen problemen te zoeken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [3] Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
4.2.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Eisers hebben een uitgebreide aanvraag ingediend en in alle fases van de procedure telkens meer stukken overgelegd en inspanningen geleverd om de visumaanvraag te onderbouwen. Eisers hebben in bezwaar een nadere toelichting gegeven op de overgelegde stukken, de financiële situatie van zowel eisers als referent en de zorg die eisers dragen voor hun moeders in Iran. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder meteen had kunnen concluderen dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Dit geldt te meer nu aan eisers geen herstel-verzuimbrief is verstuurd en zij in de bezwaarprocedure niet werden bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. De beroepsgrond slaagt.
Redelijke twijfel aan het voornemen van eisers om het grondgebied te verlaten
5. Op de zitting heeft verweerder verklaard dat de afwijzingsgrond over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet langer wordt gehandhaafd. Hiermee is enkel in geschil of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat aan verweerder een ruime beoordelingsruimte toekomt bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om Nederland tijdig te verlaten. Daarbij mag verweerder bij zijn beoordeling betrekken of zij voldoende economische en/of sociale binding hebben met Iran. Verweerder dient echter niet alleen te kijken naar de sociale en economische binding, maar moet een individueel onderzoek verrichten waarbij rekening wordt gehouden met enerzijds de algemene situatie in Iran en anderzijds de persoonlijke omstandigheden van de eisers. Hierbij kan worden geacht aan hun gezins-, sociale en economische situatie, maar ook aan het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten alsmede de banden in Iran en in de lidstaten. [4]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende kenbaar de persoonlijk omstandigheden van de visumaanvragers heeft betrokken. Niet gebleken is of en zo ja hoe verweerder rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden. Eisers hebben in het verleden veelvuldig buiten Iran gereisd, waaronder meermalen naar het Schengengebied, en zijn altijd tijdig teruggekeerd. Ook hebben eisers gedurende een lange periode legaal binnen de Europese Unie gewoond, waarna zij weer zijn teruggekeerd naar Iran. Eisers hebben voorts beiden ook de Turkse nationaliteit en reizen met grote regelmaat heen en weer vanuit Iran naar Turkije. Deze reisbewegingen zijn af te leiden uit de stempels in de overgelegde paspoorten. Zoals zij hebben betoogd, hebben eisers bewust gekozen om te wonen in Iran, ook omdat zij voor hun moeders zorgen.
5.3 Daarnaast heeft verweerder ook onvoldoende gewicht toegekend aan de financiële situatie van eisers. Eisers zijn, zoals onder meer blijkt uit de overgelegde investerings- en portfolio verklaringen, financieel zeer welgesteld. Daarnaast hebben zij zowel in Iran als in het Verenigd Koninkrijk veel onroerend goed in hun bezit, waaruit ook huurinkomsten worden ontvangen. Verweerder stelt zich enkel op het standpunt dat het bezit van onroerende goed in Iran niet betekent dat eisers aanwezigheid in Iran vereist is voor bijvoorbeeld beheer of verkoop. Maar verweerder motiveert ten onrechte niet waarom ook in het geval van eisers, ondanks hun gehele financiële situatie, vrees bestaat dat zij langere tijd in Nederland zullen verblijven, zodat strikt moet worden vastgehouden aan het vereiste van economische binding.
5.4 Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet deugdelijk gemotiveerd dat er in het geval van eisers een redelijke twijfel bestaat dat zij niet tijdig zullen terugkeren naar Iran. Deze beroepsgrond slaagt ook.

Conclusie en gevolg

6. Het beroep is gegrond. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.864,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder aan eisers het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
2.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
4.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland, r.o. 69.