ECLI:NL:RBDHA:2026:17811
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.M. van Veelen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije
De minister van Asiel en Migratie legde op 9 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank toetste het voortduren van de maatregel vanaf 23 april 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting meer was omdat de Algerijnse autoriteiten nog niet hadden gereageerd op zijn laissez passer aanvraag. Ook stelde hij dat de minister een lichter middel had moeten toepassen gezien zijn meewerkende houding en bereidheid tot vertrek.
De rechtbank oordeelde dat er nog wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, aangezien de Algerijnse autoriteiten in het algemeen bereid zijn lp’s af te geven en de aanvraag nog in behandeling is met regelmatige rappellering. De minister had voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat. De wisselende verklaringen van eiser over zijn paspoort en het ontbreken van het document zelf maakten dat de belangenafweging niet in zijn voordeel uitviel.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.