ECLI:NL:RBDHA:2026:17813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/1257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 8:83 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 17 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake Woo-openbaarmaking naturalisatiedossier

Verzoekster heeft bij verweerder een Woo-verzoek ingediend voor openbaarmaking van documenten uit het naturalisatieverzoek van haar vader, met name inzage in haar persoonlijke IND-dossier. Verweerder heeft een besluit genomen op 9 september 2025 waarbij bepaalde documenten gedeeltelijk zijn verstrekt, maar volledige inzage is geweigerd.

Verzoekster heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd om volledige inzage te verkrijgen en tevens verzocht om bevestiging van haar Nederlandse nationaliteit. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestuursrechtelijke rechter geen oordeel kan geven over het Nederlanderschap, waarvoor de civiele rechter bevoegd is.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster onvoldoende concrete gronden heeft aangevoerd waarom het Woo-besluit onjuist zou zijn en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Ook is onduidelijk of er een spoedeisend belang bestaat. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1257

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] ( [land] ), verzoekster

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft verweerder bij e-mail van 1 juli 2025 met een beroep op de Woo [1] verzocht om openbaarmaking van alle documenten uit het naturalisatieverzoek van haar vader. Daarbij heeft zij specifiek verzocht om documenten die aantonen dat verzoekster als minderjarig kind niet is opgenomen in het naturalisatieverzoek van haar vader. Verweerder heeft in de beslissing opgenomen dat externe stukken uit een IND-dossier kunnen worden opgevraagd door de betrokken persoon of door een derde die daartoe gemachtigd is. Deze stukken worden niet verstrekt op grond van de Woo omdat deze op een andere wijze kunnen worden opgevraagd. Om verzoekster tegemoet te komen worden de stukken evenwel bij het besluit van 9 september 2025 aan haar verstrekt. [2] De aangetroffen interne controlelijst van 10 maart 2004 die behoort bij het besluit op het naturalisatieverzoek (van de vader) wordt met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo gedeeltelijk verstrekt. Verzoekster heeft op 6 februari 2026 een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Deze zaak gaat over de vraag of dit verzoek moet worden toegewezen.

Wat vindt verzoekster?

3. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 september 2025 op haar Woo-verzoek. Zij wenst graag volledige inzage in haar persoonlijke IND-dossier. De weigering hieromtrent door verweerder is volgens haar onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig, omdat er geen concrete belangenafweging per document is gemaakt. [3] Zij heeft een spoedeisend belang bij de behandeling van haar verzoek gelet op haar onzekere verblijfsrechtelijke positie en de directe gevolgen voor lopende procedures, en voor haar toegang tot zorg op grond van de Wlz [4] . Zij verzoekt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen om haar inzage te geven in haar persoonlijke dossier. Verder vraagt zij de rechtbank om te bevestigen dat zij (ook als minderjarige) een van haar vader afgeleid verblijfsrecht heeft in Nederland. Verzoekster licht desgevraagd toe dat haar verzoek zich niet uitsluitend richt tegen één individueel besluit, [5] maar tegen de bredere weigering van de IND om haar volledige inzage te geven in haar dossier, wat volgens haar essentieel is om haar rechtspositie te kunnen onderbouwen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat voor zover verzoekster de rechtbank vraagt om vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit (een zogenaamde artikel 17 RWN Pro [6] -procedure), de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter hierover geen oordeel kan geven. In het geval dat verzoekster een dergelijk verzoek nog niet heeft gedaan, kan zij bij de civiele rechter alsnog een verzoek indienen tot vaststelling van haar Nederlanderschap. Eerder in de procedure heeft de rechtbank verzoekster al geïnformeerd dat deze zaak daarom alleen betrekking heeft op het Woo-besluit van 9 september 2025.
5. De voorzieningenrechter overweegt verder dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat in deze zaak een bezwaarprocedure is gevolgd. De rechtbank heeft daarom aangenomen dat het beroepschrift moet worden gezien als een bezwaarschrift tegen het besluit van 9 september 2025. [7] Zij heeft het beroepschrift daarom doorgestuurd naar verweerder, zodat deze de behandeling ervan kan overnemen.
6. Wat betreft het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dat hier voorligt, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster geen concrete gronden lijkt te hebben gericht tegen de beslissing van 9 september 2025. De voorzieningenrechter begrijpt dat de beslissing van 9 september 2025 ziet op de openbaarmaking van het naturalisatieverzoek van de vader van verzoekster. Verzoekster legt niet uit waarom het besluit van 9 september 2025 volgens haar niet juist is. Zij licht uitsluitend toe waarom zij van mening is dat verweerder haar inzage zou moeten verlenen in haar
eigenIND-dossier. Daargelaten de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van het verzoek, heeft het bezwaar van verzoekster alleen daarom al geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet open overheid.
2.Met toepassing van artikel 5.5 van de Woo. Dit betekent dat de informatie alleen aan de Wooverzoeker wordt verstrekt.
3.Verzoekster wijst op artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Awb.
4.Wet langdurige zorg.
5.Uit de stukken leidt de voorzieningenrechter af dat verzoekster ook een AVG-verzoek heeft gedaan aan verweerder en dat hierop een beslissing is genomen op 30 maart 2026. Die beslissing ligt hier niet voor.
6.RWN staat voor Rijkswet op het Nederlanderschap.
7.Beroep met zaaknummer SGR 25/8244.