ECLI:NL:RBDHA:2026:17830

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
1214949
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.C.E. Spierings
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:446 BWArt. 6:228 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over beroep op dwaling bij geneeskundige behandelovereenkomst

Het geschil betreft een vordering van het Ziekenhuis tot betaling van medische behandelingskosten door de gedaagde partij, die na een val van een ladder in het ziekenhuis is behandeld. De gedaagde stelt dat hij bij de ambulance en in het ziekenhuis is geïnformeerd over fondsen voor daklozen zonder zorgverzekering, waardoor hij aannam dat de kosten vergoed zouden worden en hij instemde met de behandeling.

De kantonrechter oordeelt dat er sprake kan zijn van dwaling bij het sluiten van de geneeskundige behandelovereenkomst, omdat de gedaagde bij een juiste voorstelling van zaken mogelijk niet had ingestemd met de behandeling. Het ziekenhuis betwist de mededelingen, maar heeft nog niet inhoudelijk gereageerd op het dwalingsverweer.

Daarom wordt het ziekenhuis in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het dwalingsverweer, waarna de gedaagde hierop kan antwoorden. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze stukken zijn ingediend.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en geeft het ziekenhuis en de gedaagde gelegenheid om schriftelijk te reageren op het dwalingsverweer.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
I.S. (b)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Gouda
Zaaknummer: 1214949 \ CV EXPL 26-1056
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
Stichting Alrijne Zorggroep,
gevestigd te Leiderdorp,
eisende partij,
hierna te noemen: het Ziekenhuis,
gemachtigde: CVL Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 maart 2026;
- de mondelinge conclusie van 16 april 2026;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 17 juni 2026. Namens het Ziekenhuis is CVL Gerechtsdeurwaarders verschenen, vertegenwoordigd door dhr. R. van Leeuwen. [gedaagde partij] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Het Ziekenhuis is een ziekenhuis in Leiderdorp.
2.2.
Op 12 maart 2025 is [gedaagde partij] van een ladder gevallen, waarna een ambulance is gebeld. De ambulance heeft [gedaagde partij] naar het Ziekenhuis gebracht.
2.3.
In het Ziekenhuis is [gedaagde partij] behandeld op de spoedeisende hulp, waarbij er medische behandelingen zijn verricht bij [gedaagde partij] .
2.4.
De kosten voor de medische behandelingen bedragen € 1.321,95.
2.5.
Op 16 juli 2025 heeft het Ziekenhuis een factuur van € 1.321,95 naar [gedaagde partij] gestuurd. [gedaagde partij] heeft deze factuur, ondanks herhaalde aanmaningen, niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Het Ziekenhuis vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.601,92, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.
3.2.
Het Ziekenhuis legt – zakelijk weergegeven – aan de vordering ten grondslag dat partijen een geneeskundige behandelovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot medische behandelingen bij [gedaagde partij] , op grond waarvan [gedaagde partij] de kosten voor de medische behandelingen moet betalen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. Volgens [gedaagde partij] heeft hij direct tegen de ambulancebroeders gezegd dat hij dakloos is en geen zorgverzekering heeft en dus naar alle waarschijnlijkheid de rekening niet kan betalen. Zowel in de ambulance als in het ziekenhuis is volgens [gedaagde partij] gezegd dat er fondsen bestaan voor mensen die dakloos zijn en geen zorgverzekering hebben. Hierdoor heeft hij besloten zich te laten behandelen in het Ziekenhuis.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde partij] met zijn toestemming medische behandelingen heeft ondergaan in het Ziekenhuis. Er is dan ook sprake van een geneeskundige behandelovereenkomst. [1] Ook is niet geschil dat [gedaagde partij] de kosten voor de medische behandelingen niet heeft betaald.
4.2.
[gedaagde partij] heeft in zijn mondelinge conclusie toegelicht dat hij na een val van een ladder is afgevoerd in een ambulance, maar toen wel direct heeft uitgesproken dat hij dakloos is, niet verzekerd is en dus de rekeningen naar alle waarschijnlijkheid niet zou kunnen betalen. In de ambulance en in het ziekenhuis zou tegen hem zijn gezegd dat er bepaalde fondsen zijn voor mensen die dakloos zijn en geen zorgverzekering hebben. Hierdoor heeft hij besloten zich wel te laten behandelen in het ziekenhuis, omdat hij ervan uitging dat de kosten hiervoor door een fonds zou worden betaald.
4.3.
De kantonrechter leest in dit verweer een beroep op dwaling, namelijk dat de geneeskundige behandelovereenkomst is gesloten door dwaling, die is veroorzaakt door een mededeling van het Ziekenhuis, en dat die geneeskundige overeenkomst niet zou zijn gesloten bij een juiste voorstelling van zaken. [2] [gedaagde partij] heeft volgens de kantonrechter voldoende gesteld dat door (een) mededelingen in de ambulance en in het ziekenhuis dat de kosten voor zijn medische behandelingen konden worden vergoed door fondsen voor mensen die dakloos en onverzekerd zijn, hij heeft ingestemd met de medische behandelingen waardoor een geneeskundige behandelovereenkomst tot stand is gekomen. Als hij had geweten dat de kosten voor zijn medische behandelingen niet zouden worden vergoed door een dergelijk fonds en hij zelf de kosten moest betalen, had hij niet ingestemd met de medische behandelingen en was er geen geneeskundige behandelovereenkomst tot stand gekomen.
4.4.
Het Ziekenhuis heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat bij het Ziekenhuis niets bekend is over dergelijke mededelingen aan [gedaagde partij] en het bestaan van dergelijke fondsen, maar heeft ook toegelicht dat er geen navraag is gedaan bij de desbetreffende ambulancebroeders die [gedaagde partij] naar het Ziekenhuis hebben vervoerd. Ook is niet nagegaan wie destijds de ambulance heeft gebeld, of [gedaagde partij] daadwerkelijk dakloos en onverzekerd was.
4.5.
De kantonrechter leidt uit deze toelichting af dat het Ziekenhuis hetgeen [gedaagde partij] in zijn mondelinge conclusie heeft toegelicht, betwist. De kantonrechter leidt uit deze toelichting echter ook af dat het Ziekenhuis in de mondelinge conclusie van [gedaagde partij] geen beroep op dwaling heeft gelezen, zoals de kantonrechter wel heeft gedaan.
4.6.
De kantonrechter stelt vast dat het Ziekenhuis nog niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verweer van [gedaagde partij] dat er sprake is van dwaling. Om die reden stelt de kantonrechter het Ziekenhuis in de gelegenheid om daar bij akte alsnog op te reageren. [gedaagde partij] mag desgewenst daarna bij antwoordakte reageren op de inhoud van de akte van het Ziekenhuis.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
stelt het Ziekenhuis in de gelegenheid om zich bij akte bestemd voor de rol van 13 augustus 2026 uit te laten zoals overwogen in rechtsoverweging 4.6,
5.2.
stelt [gedaagde partij] in de gelegenheid om bij akte bestemd voor de rol van 10 september 2026 daarop te reageren,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:446 BW Pro.
2.Artikel 6:228, eerste lid, sub a BW.