ECLI:NL:RBDHA:2026:17860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/679457 / FA RK 25-697
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nihilstelling kinderalimentatie na uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om de kinderalimentatie voor zijn minderjarige kind, dat sinds februari 2025 feitelijk bij de tante woont en formeel per 27 februari 2026 is uit huis geplaatst, op nihil te stellen. De vader stelde dat de moeder geen kosten meer maakt die de ontvangen toeslagen overtreffen en dat hij daarom geen alimentatie meer verschuldigd is. De moeder betwistte dit en voerde aan dat zij nog steeds kosten maakt die niet door toeslagen worden gedekt.

De rechtbank oordeelde dat de wijziging van omstandigheden voldoende was aangetoond en dat de behoefte van de minderjarige wordt begrensd door de daadwerkelijke kosten die de verzorgende ouder maakt. De moeder kon niet aannemelijk maken dat zij kosten maakt die de kinderbijslag en het kindgebonden budget overstijgen, aangezien de huurkosten grotendeels ook zonder het kind zouden zijn gemaakt en de overige kosten binnen de toeslagen vielen.

Daarom stelde de rechtbank de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 op nihil. Het verzoek tot terugbetaling van te veel betaalde alimentatie werd afgewezen. De rechtbank liet open of de alimentatieverplichting zal herleven indien het kind weer bij de moeder gaat wonen, omdat dit afhangt van toekomstige omstandigheden.

Andere verzoeken met betrekking tot informele rechtsingang, bijzondere curator, zorg- en opvoedingstaken en proceskosten werden aangehouden tot 1 augustus 2026. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling op de stukken genomen.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt per 1 januari 2026 op nihil gesteld vanwege het feit dat de minderjarige uit huis is geplaatst en de moeder geen kosten meer maakt die de toeslagen overtreffen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-697
Zaaknummer: C/09/679457
Datum beschikking: 1 juni 2026

Kinderalimentatie

Beschikking op het op 12 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. D.Z. Peters te Zoetermeer, nu mr. J.B. Peters te Zoetermeer.

Procedure

Bij beschikking van 9 maart 2026 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de moeder uiterlijk op 20 maart 2026 een verweerschrift kan indienen tegen de verzoeken van de vader ten aanzien van de kinderalimentatie, bepaald dat de vader daarop uiterlijk op 10 april 2026 mag reageren en dat de moeder daarop uiterlijk op 1 mei 2026 een reactie mag indienen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie tot 1 mei 2026 pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief van 3 april 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- de brief van 1 mei 2026 van de advocaat van de vrouw.
Gelet op de inhoud van de stukken heeft de rechtbank aanleiding gezien om de zaak zonder mondelinge behandeling op de stukken af te doen. Beide partijen hebben daarmee ingestemd.

Aanvullende feiten

- Bij beschikking van 22 februari 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – de door de vader met ingang van 19 mei 2022 te betalen alimentatie ten behoeve van [minderjarige] bepaald op € 128,- per maand, vanaf 22 februari 2023 telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 151,44.

(Aanvullend) verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:
- onder wijziging van de beschikking van de rechtbank van 22 februari 2023 (C/09/629555) de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige] te stellen op nihil, zulks met ingang van 1 februari 2025, althans met ingang van 1 januari 2026, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;
- de moeder te veroordelen hetgeen zij te veel aan kinderalimentatie heeft ontvangen aan de vader terug te betalen.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader geheel, althans in ieder geval gedeeltelijk op het punt van de ingangsdatum, af te wijzen en bovendien te bepalen dat zodra [minderjarige] weer bij de moeder verblijft de kinderalimentatie zoals bepaald bij beschikking van 22 februari 2023 weer herleeft, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De vader heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat [minderjarige] niet meer bij haar moeder woont maar bij haar tante verblijft. Ook is [minderjarige] formeel met ingang van 27 februari 2026 uit huis geplaatst. Daarbij is de moeder na de echtscheiding gaan samenwonen met de heer [naam].
De moeder heeft betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.
Nu [minderjarige] feitelijk sinds februari 2025 niet meer bij de moeder woont en de uithuisplaatsing van [minderjarige] per 27 februari 2026 is geformaliseerd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Daarom zal de rechtbank de vader ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt het volgende bij haar beoordeling voorop. Volgens vaste jurisprudentie wordt de behoefte van een uithuisgeplaatste minderjarige begrensd door de kosten die de (oorspronkelijk) verzorgende ouder daadwerkelijk heeft gemaakt voor deze minderjarige. Het is aan de (oorspronkelijk) verzorgende ouder – tevens alimentatiegerechtigde – om alle kosten die voor de uithuisgeplaatste minderjarige worden gemaakt aannemelijk te maken (zowel de omvang van de kosten als de daadwerkelijke betaling daarvan). Voor de vaststelling van de omvang van de behoefte van [minderjarige] mag van de moeder, als hoofdverzorgende ouder van [minderjarige] op het moment dat [minderjarige] feitelijk bij de tante is gaan wonen, worden gevergd dat zij alle kosten aannemelijk maakt die voor [minderjarige] zijn uitgegeven.
De vader heeft verzocht om de door hem te betalen kinderalimentatie aan de moeder, primair met ingang van 1 februari 2025, op nihil te stellen en te bepalen dat de moeder het te veel ontvangen bedrag aan de vader moet terugbetalen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de moeder vanaf februari 2025 geen kosten heeft voor [minderjarige] en hij sindsdien ten onrechte een financiële bijdrage aan de moeder voor [minderjarige] heeft betaald. Bovendien betaalt de vader maandelijks een bijdrage van € 150,- aan zijn zus ten behoeve van de kosten die zij voor [minderjarige] maakt. De vader heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om daarnaast nog een bijdrage aan de moeder te voldoen.
De moeder heeft zich verzet tegen het verzoek en zich op het standpunt gesteld dat zij nog steeds kosten voor [minderjarige] maakt. Deze kosten kunnen niet worden voldaan vanuit de toeslagen die de moeder ontvangt, waardoor er reden bestaat tot voortduring van de kinderalimentatie. De moeder heeft hiertoe aangevoerd dat zij in 2025 in totaal € 5.169,88 aan kosten had voor [minderjarige]. Het grootste deel van deze kosten betreft huurkosten in verband met een ingerichte kamer voor [minderjarige] van € 237,- per maand en kosten vanwege de huur van een garage in verband met de opslag van spullen van de moeder en [minderjarige] van € 100,52 per maand. De moeder heeft aangegeven dat zij tot en met het eerste kwartaal van 2025 de volledige kinderbijslag ontving en zij vanaf het tweede kwartaal van 2025 de helft van de kinderbijslag ontvangt, in totaal € 1.023,41 over 2025. De vader ontvangt vanaf het tweede kwartaal van 2025 ook de helft van de kinderbijslag.
De rechtbank overweegt als volgt. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij kosten voor [minderjarige] heeft gemaakt in 2025. Het grootste deel van deze kosten betreft de betaling van de huur van de woning van de moeder en de huur van een garagebox waarin spullen van de moeder en [minderjarige] zijn opgeslagen. Uit de stukken blijkt dat de moeder in totaal € 474,- aan huur aan de heer [naam] betaalt en € 201,04 betaalt voor de huur van een garagebox. De moeder beschouwt de helft van deze kosten als kosten voor [minderjarige]. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Het enkele feit dat [minderjarige] aanvankelijk bij de moeder woonde, maakt niet dat de helft van de huur en opslagkosten als kosten aan [minderjarige] toegerekend kunnen worden. De rechtbank acht het alleszins waarschijnlijk dat de moeder deze kosten ook zou maken als [minderjarige] niet bij de moeder zou hebben gewoond. Bovendien gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder, gelet op haar inkomen, recht heeft op huurtoeslag, waarmee ten minste een gedeelte van de huur kan worden betaald. Voor de overige door de moeder ten behoeve van [minderjarige] gemaakte kosten geldt dat deze, gelet op de beperkte omvang, ruimschoots uit de door de moeder ontvangen kinderbijslag kunnen worden betaald. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de moeder geen kosten meer maakt voor [minderjarige] die de kinderbijslag en het kindgebonden budget overtreffen. De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage dan ook op nihil stellen.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het redelijk om 1 januari 2026 als ingangsdatum voor de nihilstelling van de kinderalimentatie te bepalen. De vader heeft aangegeven dat hij de advocaat van de moeder heeft aangeschreven met het verzoek zijn betalingsverplichting te mogen opschorten totdat er duidelijkheid bestaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]. De vader is daarna per 1 januari 2026 gestopt met het betalen van de kinderalimentatie aan de moeder. De moeder heeft daarom vanaf 1 januari 2026 rekening kunnen houden met het door de vader verzochte. [minderjarige] woonde op dat moment feitelijk al niet meer bij de moeder. De moeder kon er op dat moment dus rekening mee houden dat zij mogelijk geen recht meer zou hebben op kinderalimentatie. De kinderalimentatie zal derhalve met ingang van 1 januari 2026 op nihil worden gesteld. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder tot terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie zal afwijzen.
Verder heeft de moeder verzocht te bepalen dat zodra [minderjarige] weer bij de moeder verblijft, de kinderalimentatie zoals bepaald bij beschikking van 22 februari 2023 weer herleeft. Of de verplichting om alimentatie te betalen aan de moeder herleeft als het hoofdverblijf van [minderjarige] weer bij de moeder zal zijn, is een vraag die op dit moment nog niet kan worden beantwoord. Of en in hoeverre dit een alimentatieverplichting inhoudt hangt immers af van diverse omstandigheden, namelijk van de omvang van de inkomens van de ouders op dat moment, van de vraag wanneer [minderjarige] bij de moeder en wanneer ze bij de vader is en van de leeftijd en andere omstandigheden van [minderjarige]. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hier vooruitlopend op de terugkeer van [minderjarige] naar de moeder al een beslissing over te nemen.
Overige verzoeken
Zoals opgenomen in de beschikking van 9 maart 2026 zijn de verzoeken in het kader van de informele rechtsingang, de bijzondere curator, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aangehouden tot 1 augustus 2026. Volledigheidshalve zal de rechtbank dat ook in het dictum van deze beschikking opnemen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 februari 2023 van deze rechtbank –:
bepaalt de door de vader met ingang van 1 januari 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie;
houdt iedere verdere beslissing in het kader van
de informele rechtsingang, de bijzondere curator, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskostenaan tot
1 augustus 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 juni 2026.