ECLI:NL:RBDHA:2026:17861

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/677851 / FA RK 24-9270
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253o BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BWArt. 1:255 BW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader en handhaving eenhoofdig gezag moeder in belang van kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag en omgang met zijn minderjarige kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming bracht advies uit na onderzoek, waarin werd vastgesteld dat er geen communicatie is tussen de ouders en dat de kinderen grote weerstand hebben tegen omgang met de vader.

De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is, omdat de ouders niet in staat zijn samen te communiceren en beslissingen te nemen. De rechtbank ontzegde de vader het recht op omgang, omdat dit ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van de kinderen en zij zelf ernstige bezwaren tegen omgang hebben geuit.

Daarnaast werd de informatie- en consultatieplicht van de moeder buiten toepassing verklaard, omdat de vader informatie gebruikte om contact te zoeken en de moeder en kinderen te benadelen. Het verzoek tot ondertoezichtstelling werd afgewezen, omdat er geen concrete zorgsignalen waren die een ernstige bedreiging voor de kinderen vormden.

De beschikking handhaaft het eenhoofdig gezag van de moeder, ontzegt de vader het omgangsrecht en bepaalt dat de moeder niet verplicht is de vader te informeren over gewichtige aangelegenheden betreffende de kinderen. De rechtbank achtte de belangen van de kinderen en hun behoefte aan rust en veiligheid leidend in haar beslissing.

Uitkomst: De rechtbank ontzegt de vader het omgangsrecht, wijst zijn verzoek tot gezamenlijk gezag af en verklaart de informatie- en consultatieplicht van de moeder buiten toepassing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9270
Zaaknummer: C/09/677851
Datum beschikking: 1 juni 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatie- en consultatieplicht, ondertoezichtstelling en bijzondere curator

Beschikking op het op 18 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. Ligtenberg in Bodegraven.

Procedure

Bij beschikking van 2 mei 2025 van deze rechtbank is, voor zover hier relevant, de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten, waarin in ieder geval de volgende vragen worden beantwoord:
  • Is er sprake van zwaarwegende omstandigheden die maken dat de omgang tussen de vader en de kinderen moet worden ontzegd? Zo ja, welke en waarom?
  • Zo nee, zijn er mogelijkheden voor contactherstel tussen vader en de kinderen? Zo ja, welke? Hoe zou dit contact eruit moeten zien?
  • Is wijziging van het eenhoofdig gezag van de moeder naar gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van de kinderen? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
  • Is (aanvullende) hulpverlening voor de ouders en de kinderen aangewezen en/of nodig? Zo ja, welke hulpverlening moet worden ingeschakeld?
  • Komen in het onderzoek verdere bevindingen naar voren die van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en met betrekking tot de ouders? Zo ja, welke?
en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden tot 1 november 2025 pro forma.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het rapport en advies van de Raad van 27 januari 2026 met kenmerk [kenmerk] ;
  • het bericht van 13 mei 2026 van de vader.
Op 18 mei 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door mr. H. van Pelt- de Jong als waarnemend advocaat;
  • [naam] namens de Raad.
De vader en zijn advocaat zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
Namens de moeder zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgehouden van punt 7 tot en met punt 18.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Bijzondere curator
Op grond van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als in aangelegenheden betreffende verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.
De rechtbank ziet, anders dan de vader, geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een belangenstrijd tussen de ouders en de kinderen zoals bedoeld in artikel 1:250 BW Pro. Bovendien hebben de kinderen in de loop van de procedure op verschillende momenten en aan verschillende professionals hun verhaal verteld. Zo hebben de kinderen op 19 maart 2025 in raadkamer met de kinderrechter gesproken en hebben de raadsonderzoekers tijdens het raadsonderzoek met de kinderen gesproken. De kinderen hebben hierbij zeer helder hun mening naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de kinderen op deze manier een stem hebben gekregen in deze procedure. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de benoeming van een bijzondere curator in dit geval te belastend zal zijn voor de kinderen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader hiertoe dan ook afwijzen.
Gezag
De Raad adviseert de rechtbank het verzoek van de vader om hem weer te belasten met het gezag over de kinderen, af te wijzen. Volgens de Raad is tijdens het raadsonderzoek gebleken dat er geen communicatie tussen de ouders is over de kinderen. De ouders communiceren reeds jaren niet met elkaar en het is niet te verwachten dat zij op korte termijn in staat zullen zijn dit wel te doen. Volgens de Raad is er geen enkele basis waarop de ouders gezamenlijk beslissingen ten aanzien van de kinderen kunnen nemen, wat maakt dat gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar is. Daarnaast is de Raad uit de gesprekken met de kinderen gebleken dat sprake is van grote weerstand ten opzichte van de vader.
De vader heeft schriftelijk gereageerd op het advies van de Raad en heeft aangegeven dat het advies voor hem ‘opvallend’ is. De vader is niet op de zitting verschenen om zijn huidige standpunten nader toe te lichten.
De moeder vraagt om, in lijn met het advies van de Raad, het verzoek van de vader af te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253o BW kan een beslissing waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van één van de ouders door de rechter worden gewijzigd als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd, of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Uitgangspunt hierbij is dat de situatie sinds de beslissing van de rechter zodanig veranderd is, dat het niet langer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag te handhaven.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is nodig dat de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren en dat zij samen beslissingen kunnen nemen. De rechtbank is – net als de Raad – van oordeel dat de ouders daartoe niet in staat zijn en acht het niet waarschijnlijk dat in voornoemde situatie binnen afzienbare tijd (voldoende) verbetering zal optreden. De rechtbank is van oordeel dat er gelet op het voorgaande voldoende is gebleken – ook mede gelet op de weerstand van de kinderen – dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader afwijzen.
Omgang
De Raad heeft op verzoek van de rechtbank ook onderzoek gedaan naar de vraag of er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die maken dat de omgang tussen de vader en de kinderen moet worden ontzegd. De Raad adviseert om de vader het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen, omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijk ontwikkeling van de minderjarigen en omdat het kind dat 12 jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken. De Raad ziet weerstand bij de kinderen, waardoor er geen gesprek gevoerd kan worden over de mogelijkheden tot contactherstel. Gezien de ontwikkelingstaken (ontwikkeling van de eigen identiteit, positie ten opzichte van de ouders, onderwijs of werk en vrije tijd) zitten de kinderen in een leeftijdsfase waarin de Raad van mening is dat er voorrang gegeven moet worden aan die ontwikkelingstaken boven het contactherstel met de vader. De gebeurtenissen hebben op [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] impact gehad en ze hebben nu ruimte nodig om in deze fase van hun leven vorm te geven aan hun school, sociale contacten en emotionele stevigheid. De Raad ziet op dit moment geen mogelijkheden voor contactherstel tussen de vader en de kinderen. De Raad vindt dat gedwongen contact niet helpend zal zijn. Dit zal de weerstand bij de kinderen richting de vader verder vergroten. De Raad ziet voor de vader een rol waarin hij de kinderen ruimte geeft om zich te richten op hun school, vrienden en vrije tijd.
De vader heeft schriftelijk gereageerd op het advies van de Raad en heeft onder meer het volgende aangegeven:
‘Ik lees dat de weerstand bij de kinderen maakt dat een omgang met mij als vader op dit moment vrijwel onmogelijk is vorm te geven. Hoe pijnlijk ook, besef ik mij dat ik het daarmee moet doen. Ik ben van mening dat er een raar signaal afgegeven wordt aan de kinderen door een omgang juridisch te ontzeggen terwijl de omgangen in het verleden altijd goed zijn verlopen.’
De moeder verzoekt om, in lijn met het advies van de Raad, de omgang tussen de vader en de kinderen te ontzeggen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Op grond van artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang slechts, indien: a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank is op grond van het rapport van de Raad en het verhandelde op de zitting van oordeel dat hierboven genoemde uitzonderingen onder ‘a’ en ‘c’ zich voordoen. Duidelijk is geworden dat het voor de ontwikkeling van kinderen van belang is dat zij rust krijgen en zich veilig voelen. Omgang met de vader is om die reden op dit moment onwenselijk. Daarnaast hebben de kinderen zelf duidelijk naar voren gebracht dat zij geen omgang willen met de vader. De kinderen zijn 17, 14 en 12 jaar oud en de rechtbank acht hen voldoende in staat om op dit punt hun mening te vormen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de Raad de vader het recht op omgang met de kinderen ontzeggen en in zoverre het verzoek van de moeder toewijzen, onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling.
Informatie- en consultatieregeling
De vader verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen.
De moeder verzoekt te bepalen dat de informatie- en consultatieverplichting van haar buiten toepassing blijft. Op de zitting heeft zij toegelicht dat het verstrekken van informatie aan de vader afbreuk doet aan het doel om rust en ruimte aan de kinderen te geven. Zij geeft aan dat de vader de aan hem (door de moeder of derden) verstrekte informatie over de kinderen gebruikt om (direct of indirect) contact te zoeken met de kinderen. Volgens de moeder gebruikt hij de informatie bovendien om haar negatief af te schilderen, discussies aan te gaan, dan wel de beslissingen en positie van de moeder te ondermijnen. De vader is meermaals gevraagd de bij hem bekende of aan hem verstrekte informatie niet te gebruiken om de moeder en de kinderen verder te schaden, maar de vader heeft dit genegeerd. Daardoor wordt volgens de moeder geen rust en ruimte, maar juist onrust bij de kinderen gecreëerd.
De Raad heeft op de zitting geluisterd naar wat voor effect het volgens de moeder op de kinderen heeft. Om die reden is de Raad van mening dat de informatie- en consultatieplicht van de moeder buiten toepassing moet blijven.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377b eerste lid BW is de ouder die met het gezag over het kind is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel kan de rechtbank zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft indien het belang van het kind dit vereist.
De rechtbank zal het verzoek van de vader hiertoe afwijzen en het verzoek van de moeder toewijzen en overweegt daartoe als volgt. De moeder heeft onder meer onbetwist gesteld dat de vader de aan hem (door de moeder of derden) verstrekte informatie over de kinderen gebruikt om (direct of indirect) contact te zoeken met de kinderen. De rechtbank acht dit niet in het belang van de kinderen, nu zij juist behoefte hebben aan rust en ruimte. De rechtbank zal daarom bepalen dat de informatie- en consultatieverplichting van de moeder buiten toepassing blijft. Mede gelet op de leeftijd van de kinderen, is het nu aan henzelf om te bepalen of zij informatie met hun vader willen delen.
Ondertoezichtstelling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:255 lid 2 BW Pro kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen op verzoek van de Raad of het Openbaar Ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en het kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.
Omdat de Raad niet is overgegaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling, is de vader hiertoe nu bevoegd op grond van voornoemd artikel.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen als het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouders de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet genoeg accepteren. Tot slot moet bij de kinderrechter de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind zelf weer kunnen dragen.
Hoewel de rechtbank het langdurige gebrek aan contact tussen de vader en de kinderen op zichzelf zeer zorgelijk vindt, overweegt zij – onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:766) – dat het ontbreken van contact tussen de vader en de kinderen op zichzelf ontoereikend is om een
ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. Om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen, moet het ontbreken van contact zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor de kinderen dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er op dit moment geen concrete zorgsignalen dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd als gevolg van het ontbreken van contact tussen de vader en de kinderen. Zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder zijn de rechtbank ook niet gebleken. De vader heeft daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dusdanige ontwikkelingsbedreiging dat een
ondertoezichtstelling in dit verband gerechtvaardigd is.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek tot ondertoezichtstelling afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikkingen van deze rechtbank van 5 juli 2019 en 30 juni 2020 –:
ontzegt de vader het recht op omgang met de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2013 in [geboorteplaats 2] ;
bepaalt dat de informatie- en consultatieverplichting van de moeder buiten toepassing blijft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 juni 2026.
De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.