ECLI:NL:RBDHA:2026:1787
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure
Verzoekster, van Nigeriaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag op 16 juli 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de behandeling van het beroep op 28 januari 2026 behandeld. Bij uitspraak van dezelfde dag heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
Omdat het beroep is afgewezen, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer nodig en wijst het verzoek af. Wel veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster wegens het indienen van het verzoekschrift. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.