ECLI:NL:RBDHA:2026:17875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705020 / FA RK 26-4731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang wegens ontbreken van verzet

De rechtbank Den Haag behandelde op 1 juni 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een opvolgende rechterlijke machtiging voor de duur van twaalf maanden op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd).

Cliënt, die lijdt aan dementie, verblijft in een zorginstelling en wordt bijgestaan door een advocaat en een tolk. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat cliënt zich op haar gemak voelt, goed wordt verzorgd en geen actieve pogingen doet om de accommodatie te verlaten. Zowel de onafhankelijke arts als de zorgmedewerker bevestigden het ontbreken van spontaan of proactief verzet.

De specialist ouderengeneeskunde gaf aan dat het toestandsbeeld onveranderd is, maar dat verbaal verzet alleen bij gerichte vragen voorkomt. De rechtbank concludeerde dat de criteria voor een rechterlijke machtiging niet langer zijn vervuld, omdat het verblijf op vrijwillige basis kan worden voortgezet.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot verlenging van de machtiging af. De beschikking werd uitgesproken door rechter J.C. van den Dries, bijgestaan door griffier A. Laverman.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de rechterlijke machtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van verzet en het vrijwillige karakter van het verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/705020 / FA RK 26-4731
Datum beschikking: 1 juni 2026

Afwijzing opvolgende rechterlijke machtiging

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van twaalf maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt] ,

hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie van [instelling] te [plaats] ,
advocaat: mr. N.J. Batelaan te Schoonhoven.

ProcesverloopHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 mei 2026.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 30 oktober 2025;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 1 mei 2026;
- de op 23 april 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, W. de Klerk, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat en een Spaanse tolk;
- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 1] ;
- de helpende, [naam 2] .

Standpunten ter zitting

Door en namens cliënt is ter zitting naar voren gebracht dat zij zich op haar gemak voelt op de afdeling en zij goed wordt verzorgd. De advocaat stelt dat er geen sprake is van verzet. De in de stukken genoemde incidenten zijn gedateerd en niet langer aan de orde. Het gaat goed met cliënt op de afdeling, zij doet geen pogingen om te vertrekken en er is geen sprake van proactief verzet. Tevens wordt door de onafhankelijke arts bevestigd dat cliënt geen (spontane) uitingen van verzet doet. De advocaat verzoekt daarom namens cliënt om het verzoek af te wijzen.
De specialist ouderengeneeskunde heeft ter zitting naar voren gebracht dat het toestandsbeeld sinds de vorige mondelinge behandeling onveranderd is gebleven. Alleen bij een specifiek daarop gerichte vraag is er sprake van verbaal verzet tegen de opname. Hoewel zij bij navraag consistent aangeeft niet in de accommodatie te willen verblijven, geeft zij dit uit zichzelf niet aan. In het dagelijks leven wordt waargenomen dat cliënt het fijn heeft op de afdeling en op momenten dat zij naar buiten gaat, komt zij ook zonder problemen terug.
De zorgmedewerker heeft ter zitting naar voren gebracht dat cliënt geen pogingen doet om de accommodatie te verlaten. Zij ziet gedurende de dag geen teken van verzet tegen de opname.

Beoordeling

Op 27 februari 2026 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 27 mei 2026.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie
.
Uit het behandelde ter zitting is gebleken dat er mogelijkheden zijn voor passende zorg
op vrijwillige basis en dat er geen sprake (meer) is van verzet. Cliënt wordt naar eigen
zeggen goed verzorgd, zij voelt zich op haar gemak in de accommodatie en het verblijf kan in een vrijwillig kader worden voortgezet. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door mr. A. Laverman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.