ECLI:NL:RBDHA:2026:1788
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid familierechtelijke relatie
Eisers, allen van Nigeriaanse nationaliteit, hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor verblijf als familie- of gezinslid bij hun echtgenoot/vader, de referent. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en is in bezwaar bij dit besluit gebleven. Eisers stelden dat de minister hen ten onrechte niet nogmaals een nader onderzoek heeft aangeboden, omdat hun afwezigheid bij het eerdere onderzoek verschoonbaar was vanwege financiële beperkingen.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld. Eisers kregen tweemaal de mogelijkheid tot nader onderzoek, maar verschenen niet zonder tijdige melding. Het feit dat de benodigde financiële middelen later beschikbaar kwamen, maakt dit niet anders. Daarnaast is de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent onvoldoende aannemelijk gemaakt, waardoor toetsing aan artikel 8 EVRM Pro niet noodzakelijk was.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanvraag van de mvv af. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Overmars en griffier Vegter op 3 februari 2026 te Groningen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid van de familierechtelijke relatie.