ECLI:NL:RBDHA:2026:17880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704308 / FA RK 26-4298
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wijziging hoofdverblijfplaats en vervangende toestemming schoolinschrijving

De rechtbank Den Haag behandelde op 24 juni 2026 een geschil tussen ouders over het gezag en de hoofdverblijfplaats van hun twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2015. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit, maar zijn het oneens over de hoofdverblijfplaats en schoolkeuze. De moeder verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar haar en om vervangende toestemming voor schoolinschrijving, terwijl de vader verzocht om eenhoofdig gezag en afwijzing van de verzoeken.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden die een wijziging van de hoofdverblijfplaats rechtvaardigen. De wens van de kinderen om bij de moeder te wonen werd erkend, maar woog niet zwaarder dan het belang van rust en stabiliteit. De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats.

Wel werd aan de vader vervangende toestemming verleend om de oudste minderjarige in te schrijven op een middelbare school nabij zijn hoofdverblijfplaats, omdat de inschrijving nog niet was geregeld en de zomervakantie naderde. De rechtbank zag geen aanleiding voor benoeming van een bijzondere curator, omdat geen belangenconflict tussen ouders en kinderen bestond. Het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats afgewezen en vervangende toestemming schoolinschrijving aan vader verleend.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6041 en FA RK 26-4298
Zaaknummer: C/09/689868 en C/09/704308
Datum beschikking: 1 juli 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming en bijzondere curator

Beschikkingop het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/689868 / FA RK 25-6041 op 8 augustus 2025 ingekomen verzoek en het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/704308 / FA RK 26-4298 op 28 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M. van Wijk te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Beekelaar te Kwadijk.

Procedure

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/689868 / FA RK 25-6041:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 2 september 2025, met bijlagen, van de vader;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 2 oktober 2025, van de moeder;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 27 november 2025, van de vader;
  • het bericht van 2 december 2025, met bijlage, van de vader;
  • het zelfstandig verzoek van 2 maart 2026, van de moeder;
  • het bericht van 20 maart 2026, met bijlagen, van de moeder;
  • het verweerschrift van 12 maart 2026, van de vader;
  • het verweerschrift van 17 juni 2026, van de moeder.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/704308 / FA RK 26-4298:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 12 mei 2026, met bijlagen, van de vader;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 17 juni 2026, van de moeder;
  • het bericht van 23 juni 2026, met bijlage, van de vader.
De rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie afgesplitst en geregistreerd met het kenmerk C/09/707050 FA RK 26-5934.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk en in raadkamer uitgelaten over het verzoek. De minderjarige [de minderjarige 2] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 24 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarigen kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit.
  • Uit de hierna te noemen beschikkingen volgt – voor zover hier van belang – het volgende:
  • bij beschikking van 23 augustus 2018 heeft deze rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader vastgesteld;
  • bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2019 heeft deze rechtbank de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder toegewezen;
  • bij beschikking van 11 december 2019 heeft het ’hof Den Haag de bestreden beschikking van 23 mei 2019 vernietigd en het inleidend verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij haar te bepalen, afgewezen;
  • bij beschikking van 5 januari 2024 heeft deze rechtbank het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder afgewezen. Bij beschikking van 30 oktober 2024 heeft het hof Den Haag deze beschikking bekrachtigd.

Verzoek en verweer

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/689868 / FA RK 25-6041:
De moeder verzoekt (zelfstandig):
  • – naar de rechtbank begrijpt – wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder en vaststelling van een passende zorgregeling tussen de vader en de kinderen;
  • – indien en voor zover het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats wordt toegewezen – dat de vader gehouden is om aan de inschrijving van de kinderen op een nieuwe school ( [school 1] voor [de minderjarige 2] en middelbare school [school 2] of SG [school 3] voor [de minderjarige 1] ) zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, binnen veertien dagen na ontvangst van een daartoe van de moeder afkomstig strekkend verzoek en/of toegezonden toestemmings-/ inschrijvingsformulier, bij gebreke waarvan aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om zonder toestemming van de vader tot inschrijving van beide kinderen op een nieuwe school over te gaan,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader:
Primair
- per datum beschikking de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
Subsidiair
- indien en voor zover het verzoek strekkende tot het eenhoofdig gezag wordt afgewezen - de moeder te verbieden nogmaals een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats in te dienen, ongeacht gewijzigde omstandigheden,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Voorts verzoekt de moeder zelfstandig:
- benoeming van een bijzondere curator voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/704308 / FA RK 26-4298:
De vader verzoekt in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW):
- vervangende toestemming om [de minderjarige 1] in te schrijven op [school 4] , een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder zelfstandig:
  • wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder en vaststelling van een passende zorgregeling tussen de vader en de kinderen;
  • indien en voor zover het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats wordt toegewezen – dat de vader gehouden is om aan de inschrijving van de kinderen op een nieuwe school ( [school 1] voor [de minderjarige 2] en middelbare school [school 2] of [school 3] voor [de minderjarige 1] ) zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, binnen veertien dagen na ontvangst van een daartoe van de moeder afkomstig strekkend verzoek en/of toegezonden toestemmings-/ inschrijvingsformulier, bij gebreke waarvan aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om zonder toestemming van de vader tot inschrijving van beide kinderen op een nieuwe school over te gaan,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

GezagWettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, als later de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of dat wijziging van het gezag anderszins noodzakelijk is in het belang van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de vader belast wil worden met het eenhoofdig gezag, om te voorkomen dat de moeder nogmaals een procedure start om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen. De vader stelt zich op het standpunt dat hij niet wil dat de moeder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] beïnvloedt ten aanzien van hun hoofdverblijfplaats. Volgens de vader bevinden [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich hierdoor in een loyaliteitsconflict. De vader is van mening dat de communicatie tussen de ouders goed verloopt. De moeder betwist dat zij de kinderen in een loyaliteitsconflict brengt. Zij vindt het juist belangrijk om naar de mening van de kinderen te luisteren. Die mening luidt volgens haar dat de kinderen graag bij hun moeder willen wonen.
De rechtbank overweegt allereerst dat de omstandigheid dat de moeder meerdere juridische procedures heeft gestart om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen, niet zonder meer met zich brengt dat het in het belang van de kinderen is dat de vader het eenhoofdig gezag over hen verkrijgt. De rechtbank stelt vast dat tussen de ouders uitsluitend de hoofdverblijfplaats van de kinderen, in samenhang met de schoolkeuze, in geschil is. Voor het overige zijn de ouders in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. De ouders respecteren elkaar in hun rol als ouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en zij zijn verder in staat gezamenlijk beslissingen over de kinderen te nemen. Nu de rechtbank in deze beschikking een oordeel zal geven over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, alsmede over de school(inschrijving) van [de minderjarige 1] , wordt het bestaande geschil tussen de ouders beslecht. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] klem of verloren zouden raken tussen de ouders, dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen. Het subsidiaire verzoek van de vader, dat inhoudt dat het de moeder zal worden verboden om in de toekomst nogmaals een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats in te dienen, zal eveneens worden afgewezen. Er kunnen immers zich omstandigheden voordoen die nopen tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats. Het voert te ver om de moeder in alle gevallen te verbieden een verzoek in te dienen.
HoofdverblijfplaatsWettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub b van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Ontvankelijkheid
De rechtbank zal eerst moeten beoordelen of sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat deze moeten leiden tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De moeder voert aan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu [de minderjarige 1] komend schooljaar naar de middelbare school zal gaan en [de minderjarige 1] de voorkeur geeft aan een school in de buurt van de moeder, zijnde [school 2] of SG [school 3] . Daarnaast lopen er momenteel geen hulpverleningstrajecten meer, waardoor de kinderen op dat gebied niet meer gebonden zijn aan [plaats] . Voorts stelt de moeder dat de vader in medische situaties niet altijd adequaat handelt. Zo is de vader een controleafspraak voor [de minderjarige 2] in het ziekenhuis vergeten en rondt hij de ingezette hulpverlening niet steeds af. De vader betwist dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Volgens hem zijn de door de moeder aangevoerde medische situaties overtrokken.
De rechtbank is van oordeel dat van zodanig gewijzigde omstandigheden geen sprake is. Het enkele feit dat [de minderjarige 1] een volgende levensfase ingaat, in die zin dat zij in september 2026 naar de middelbare school gaat, brengt niet met zich dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:377e BW. Daarnaast kan het (eenmalig) vergeten van een medische afspraak niet worden aangemerkt als een zodanige wijziging van omstandigheden die een wijziging van de hoofdverblijfplaats rechtvaardigt. De rechtbank is verder van oordeel dat het belang van de kinderen ook niet vraagt om een wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Dit betekent dat de huidige situatie ten aanzien van de hoofdverblijfplaats ongewijzigd blijft.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de moeder in de afgelopen acht jaar maar liefst drie juridische procedures is gestart, strekkende tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Hoewel het een ouder vrijstaat een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats aan de rechtbank voor te leggen, sluit de rechtbank zich aan bij het advies van de Raad dat het belangrijk is dat de kinderen nu eindelijk rust en duidelijkheid krijgen over hun hoofdverblijf. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij worden belast met voortdurende onzekerheid over hun woon- en opvoedsituatie of dat bij hen de verwachting wordt gewekt dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats steeds tot de mogelijkheden behoort. Een stabiele en voorspelbare situatie is van wezenlijk belang voor hun ontwikkeling, in het bijzonder nu [de minderjarige 1] met de overgang naar het voortgezet onderwijs een nieuwe levensfase ingaat. Voor [de minderjarige 2] geldt bovendien dat een wijziging van de hoofverblijfplaats in deze fase allerminst in zijn belang is. Dat zou immers betekenen dat hij het laatste jaar van zijn basisschooltijd op een andere school moet doorbrengen en vervolgens opnieuw van school moet wisselen. De rechtbank neemt aan dat deze beslissing de noodzakelijke duidelijkheid en rust zal bieden en dat de moeder haar pogingen om de hoofdverblijfplaats te wijzigen staakt. Het is van belang dat de moeder de huidige situatie als uitgangspunt neemt, ook richting [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , en dat zij de hoofdverblijfplaats ook in de toekomst niet opnieuw ter discussie stelt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de wens van de kinderen bij de beoordeling niet doorslaggevend is. Tijdens het kindgesprek hebben de kinderen laten weten dat zij graag bij hun moeder willen wonen. In het kindgesprek is duidelijk geworden dat zij hun moeder missen. Het lijkt erop dat de wens om bij de moeder te gaan wonen door dat gemis is ingegeven. Tijdens het kindgesprek heeft [de minderjarige 1] verteld dat zij haar vader zal missen als zij bij haar moeder zou gaan wonen. De wens om bij de moeder te wonen is niet ingegeven doordat zij het niet fijn hebben bij hun vader. De leefomstandigheden bij hun vader nopen dus niet tot wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rust en stabiliteit wegen bij de beoordeling daarom zwaarder.
Vervangende toestemming school
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [de minderjarige 1] (zo spoedig mogelijk!) moet worden ingeschreven op [school 4] , de middelbare school in de omgeving van haar hoofdverblijfplaats. De rechtbank stelt voorop dat het zorgelijk is dat [de minderjarige 1] op dit moment nog niet staat ingeschreven bij een middelbare school, terwijl de aanmeldtermijn reeds is verstreken en de zomervakantie nadert. Daarnaast verkeert [de minderjarige 1] als gevolg van het verzoek van de moeder en de weigering van de moeder om toestemming te geven al geruime tijd in onzekerheid over haar schoolinschrijving. Het is van het grootste belang dat aan die onzekerheid een einde komt. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen.
Bijzondere curator
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:250 BW Pro kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als - in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige - de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen, nu er geen sprake is van een belangenconflict tussen een (van de) ouder(s) en de kinderen, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:250 BW Pro. De rechtbank is van oordeel dat in casu eerder sprake van een verschil van inzicht tussen de moeder en de vader over wat in het belang van de kinderen is ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de schoolkeuze. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] ;
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de inschrijving van [de minderjarige 1] op [school 4] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026.