ECLI:NL:RBDHA:2026:1789

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.40585
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister heeft ten onrechte afgezien van hoorzitting in bezwaar bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf

Eisers, beiden van Syrische nationaliteit, hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd met als verblijfsdoel verblijf als familie- of gezinslid bij hun broer, de referent. De minister heeft deze aanvragen afgewezen en is bij bezwaar bij dit besluit gebleven. Eisers stelden dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in een hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de minister terecht heeft afgezien van een hoorzitting. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is bepaald dat een vreemdeling in bezwaar in beginsel moet worden gehoord, zeker wanneer er sprake is van beslissingsruimte en een individuele belangenafweging.

De rechtbank concludeert dat de minister in deze zaak niet had mogen afzien van een hoorzitting, mede omdat de minister in het bestreden besluit zelf aanleiding zag om de belangenafweging opnieuw te maken en eisers expliciet om een hoorzitting hadden verzocht. De rechtbank onthoudt zich van een oordeel over de overige beroepsgronden omdat tijdens een hoorzitting mogelijk relevante feiten en omstandigheden aan het licht kunnen komen.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40585

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser 1,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] , eiser 2,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,
beiden van Syrische nationaliteit,
gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij hun broer [naam] (referent). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben mvv-aanvragen ingediend voor verblijf bij referent. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 22 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. De ouders van eisers en referent hebben tegelijk met eisers ook een mvv-aanvraag ingediend. Omdat deze wel zijn toegewezen, heeft de minister ook beoordeeld of er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eisers en hun ouders.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister kunnen afzien van het horen in bezwaar?
3. Eisers voeren aan dat zij en referent ten onrechte niet de mogelijkheid hebben gekregen om hun bezwaar nader toe te lichten tijdens een hoorzitting. Juist bij een belangenafweging is dit niet te begrijpen. Eisers wijzen op een uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 [1] en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 17 september 2024 [2] .
3.1.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 juli 2022 geoordeeld dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De minister mag slechts afzien van het horen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze specifieke zaak een hoorzitting niet achterwege heeft kunnen laten. De rechtbank acht daarbij van belang dat het hier gaat om een zaak waarin veel beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Verder acht de rechtbank van belang dat de minister in het bestreden besluit aanleiding heeft gezien om de belangenafweging nog eens opnieuw te doen. Hierdoor kan niet worden volgehouden dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Ook is van belang dat eisers in bezwaar expliciet hebben verzocht om een hoorzitting. Op de zitting is bovendien gebleken dat referent zich goed kan uitdrukken over de persoonlijke en bijzondere omstandigheden van eisers. Een hoorzitting had meer inzicht kunnen geven in de persoonlijke situatie van eisers.
3.3.
Omdat tijdens de hoorzitting feiten en omstandigheden worden besproken die van belang kunnen zijn voor het oordeel over de toepassing van het jongvolwassenbeleid, de bijkomende elementen van afhankelijkheid en de belangenafweging onthoud de rechtbank zich van een oordeel over de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 17 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14940.