ECLI:NL:RBDHA:2026:17899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning
Verzoekster diende op 7 mei 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid. Verweerder heeft de aanvraag op 4 juni 2025 alsnog ingewilligd, waarna verzoekster het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank overweegt dat de beslistermijn op grond van de Vreemdelingenwet 2000 op 9 mei 2025 eindigde, mede door een verlenging. Verzoekster stelde verweerder op 16 maart 2025 in gebreke, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn toen nog niet verstreken was.
Gezien deze omstandigheden is er geen grond voor een proceskostenveroordeling van verweerder. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten daarom af en doet dit zonder zitting op 30 juni 2026.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was en de beslistermijn niet was overschreden.