ECLI:NL:RBDHA:2026:17899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.21062
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning

Verzoekster diende op 7 mei 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid. Verweerder heeft de aanvraag op 4 juni 2025 alsnog ingewilligd, waarna verzoekster het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank overweegt dat de beslistermijn op grond van de Vreemdelingenwet 2000 op 9 mei 2025 eindigde, mede door een verlenging. Verzoekster stelde verweerder op 16 maart 2025 in gebreke, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn toen nog niet verstreken was.

Gezien deze omstandigheden is er geen grond voor een proceskostenveroordeling van verweerder. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten daarom af en doet dit zonder zitting op 30 juni 2026.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was en de beslistermijn niet was overschreden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21062

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 7 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent).
Bij besluit van 4 juni 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster ingewilligd.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [2] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Verzoekster heeft de aanvraag ingediend op 11 november 2024. Op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dient verweerder binnen 90 dagen te beslissen. Verweerder heeft bij brief van 29 januari 2025 de beslistermijn verlengd. De beslistermijn is daarom geëindigd op 9 mei 2025.
3. Verzoekster heeft verweerder 16 maart 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Gelet hierop is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.