ECLI:NL:RBDHA:2026:17901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26117
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 HandvestArt. 46, eerste lid, Verordening (EU) 2024/1351Verordening 604/2103Verordening (EU) 2024/1351
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over overdracht asielzoekster en kinderen aan Frankrijk wegens mogelijke schending artikel 4 Handvest

Eiseres, een Marokkaanse asielzoekster, en haar drie minderjarige kinderen zijn betrokken bij een procedure tegen de minister van Asiel en Migratie over de overdracht van hun asielaanvraag aan Frankrijk op grond van het Dublin-verdrag. De minister heeft de aanvraag tweemaal niet in behandeling genomen, waarna de rechtbank Rotterdam het eerste besluit vernietigde. De minister wil de overdracht uitvoeren, maar eiseres vreest een schending van artikel 4 van Pro het Handvest.

De rechtbank Den Haag overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht leidt tot een schending van dit artikel. De minister heeft uit eigen beweging een medisch advies (BMA) gevraagd, wat de rechtbank als zorgvuldig beoordeelt. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat eiseres door tijdig verzoeken al bereikt heeft dat zij niet kan worden overgedragen voordat op het beroep is beslist.

De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het BMA-advies is uitgebracht en partijen hun standpunten hierover hebben gegeven. De rechtbank verbiedt DT&V om vertrekgesprekken te voeren met eiseres en haar kinderen vanwege de impact op hun welzijn, zoals blijkt uit medische stukken. De rechtbank benadrukt het belang van een zorgvuldige voorbereiding en snelle voortgang van de procedure.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en houdt de behandeling van het beroep aan in afwachting van een medisch advies over mogelijke schending van artikel 4 Handvest bij overdracht aan Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26117 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1985,

V-nummer: [V-nummer],
eiseres
,
mede ten behoeve van haar drie minderjarige kinderen:
[Kind 1],geboren op [geboortedatum] 2013,
[Kind 2],geboren op [geboortedatum] 2015,
[Kind 3], geboren op [geboortedatum] 2018,
allen Marokkaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: J. Raaijmakers).

Procesverloop

Eiseres heeft op 6 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Verweerder heeft met het besluit van 22 januari 2026 de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
De rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep tegen dit besluit op 23 maart 2026 gegrond verklaard en het besluit vernietigd (in de zaak NL26.3980, deze uitspraak is niet gepubliceerd en is niet opgenomen in de interne databank, maar is bij beide partijen bekend). Tegen deze uitspraak hebben partijen geen rechtsmiddel aangewend.
Verweerder heeft bij besluit van 7 mei 2026 de asielaanvraag van eiseres wederom niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening zodat zij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit van 7 mei 2026 en het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.26118).
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en twee van haar kinderen zijn verschenen, bijgestaan door mr. C.F. Wassenaar als waarnemer van haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is verschenen.
De behandeling van het beroep en het verzoek is na behandeling hiervan in overleg met beide partijen aangehouden.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Haar drie kinderen zijn geboren op [geboortedatum] 2013, [geboortedatum] 2015 en [geboortedatum] 2018 en zijn dus minderjarig ten tijde van de behandeling van hun beroep tegen het overdrachtsbesluit.
2. Tussen Nederland en Frankrijk is op 21 januari 2026 een claimakkoord tot stand gekomen. Verweerder wil dit overdrachtsbesluit uitvoeren.
3. Eiseres verzoekt de overdracht te verbieden, dan wel te bepalen dat verweerder, net als in zijn besluit van 22 januari 2026, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen.
4. De rechtbank doet een tussenuitspraak en motiveert dit als volgt.
5. Partijen zijn het er over eens dat op dit moment niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van eiseres en haar kinderen zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Verweerder heeft, ondanks dat dit in de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 23 maart 2026 niet was opgedragen, uit eigen beweging BMA op 29 april 2026 verzocht om een medisch advies uit te brengen. De rechtbank acht dit zorgvuldig en overweegt dat verweerder dit terecht heeft gedaan omdat verweerder, net als de rechtbank, het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen en deze verplichting gedurende de gehele procedure en de mogelijke uitvoering van het overdrachtsbesluit geldt.
6. Tot advisering is het nog niet gekomen. Eiseres heeft actuele medische informatie overgelegd. Verweerder heeft aangegeven BMA om advies te zullen vragen en eiseres heeft de hiervoor benodigde toestemmingsverklaring ondertekend. Zoals besproken ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit moment een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoeken om een dergelijke voorziening is een rechtsmiddel dat ertoe strekt dat eiseres de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. Door tijdig om een voorlopige voorziening te verzoeken heeft eiseres reeds bereikt dat zij niet kan worden overgedragen voordat uitspraak op haar beroep wordt gedaan. Het toewijzen van de gevraagde voorziening is hiervoor dus niet nodig. Een voorlopige voorziening is een rechtsmiddel voor eiseres en is niet bedoeld om de overdrachtstermijn ‘veilig te stellen’. Tegelijkertijd heeft te gelden dat verweerder in de gelegenheid moet zijn om te onderzoeken of moet worden afgezien van de overdracht en eiseres tot de nationale procedure moet worden toegelaten. Weliswaar is het tijdsverloop in de onderhavige procedure met name ontstaan doordat een eerder vastgesteld overdrachtsbesluit door de rechtbank is vernietigd. Dit betekent niet dat nader onderzoek thans niet meer mogelijk is.
7. De rechtbank overweegt dat het van aanzienlijk belang is dat de behandelaars van eiseres en haar kinderen op eerste verzoek van BMA onverwijld alle gevraagde informatie over de behandeling(en) verstrekken, zodat BMA op korte termijn advies kan uitbrengen aan verweerder en verweerder kan beoordelen of moet worden afgezien van overdracht.
8. Ter zitting is afgesproken dat indien verweerder in het uit te brengen BMA-advies geen aanleiding ziet om het overdrachtsbesluit in te trekken en de asielaanvraag van eiseres in de nationale procedure te behandelen, verweerder zijn besluit van 7 mei 2026 aanvullend zal motiveren en daarbij zowel zal motiveren waarom de medische conditie van eiseres en haar kinderen geen reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest oplevert en aanvullend zal motiveren waarom verweerder geen aanleiding ziet om de asielaanvraag onverplicht te behandelen.
9. Verweerder heeft op vragen van de rechtbank toegezegd in te stemmen dat deze procedure, ook indien hij zijn besluit na 12 juni 2026 aanvullend zal motiveren, met toepassing van Verordening 604/2103 zal worden behandeld. Verweerder heeft hierbij uitdrukkelijk erkend dat dit betekent dat in deze procedure de overdrachtstermijn niet kan worden verlengd indien medische beletselen (tijdelijk) aan de overdracht in de weg staan zoals dit (wel) is geregeld in artikel 46, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/1351. Verweerder heeft ook uitdrukkelijk ingestemd dat eiseres zal kunnen opkomen tegen het mogelijk niet onverplicht in behandeling nemen van de asielaanvraag, wat in Verordening (EU) 2024/1351 uitgesloten lijkt te zijn.
10. De rechtbank heeft met partijen afgesproken dat zij de rechtbank op de hoogte houden van de voortgang van de procedure. De rechtbank heeft beide partijen toegezegd, indien de procedure na gereedkomen van het BMA-advies moet worden voortgezet, dat zij zo voortvarend mogelijk de behandeling van het beroep en verzoek zal voortzetten en partijen daarbij in de gelegenheid zal stellen om kenbaar te maken of zij schriftelijk en/of mondeling ter zitting verder willen procederen. De rechtbank heeft ook toegezegd dat indien een uitspraak van de rechtbank nodig is om de procedure af te ronden, dit zo snel mogelijk te zullen doen en zich daarbij rekenschap te geven dat eiseres is gebaat bij het verkrijgen van duidelijkheid op korte termijn en zich tegelijkertijd rekenschap te geven van de tijd die DT&V nodig heeft om een mogelijke overdracht zorgvuldig voor te bereiden en uit te voeren.
11. De behandeling van het beroep en het verzoek worden aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen een BMA-advies te verkrijgen en op grond daarvan te beslissen of het overdrachtsbesluit moet worden ingetrokken, dan wel van een aanvullende motivering moet worden voorzien en om eiseres in de gelegenheid te stellen om zo nodig nadere beroepsgronden te formuleren.
12. De rechtbank zal DT&V opdragen om af te zien van het voeren van vertrekgesprekken met eiseres en haar kinderen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. De rechtbank realiseert zich dat DT&V reeds met deze gesprekken start nadat een overdrachtsbesluit is vastgesteld om zodoende de overdracht zorgvuldig te kunnen voorbereiden. In deze specifieke procedure dient DT&V echter af te zien van het voeren van vertrekgesprekken voordat de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit door de rechtbank is beoordeeld vanwege de impact van deze gesprekken op het welbevinden van eiseres en haar kinderen. Deze impact blijkt uit de overgelegde medische stukken waarvan DT&V welllicht niet op de hoogte is. De rechtbank betrekt hierbij ook de omstandigheid dat verweerder eerst nader wil en moet onderzoeken of van de overdracht moet worden afgezien vanwege de medische problematiek. Vanzelfsprekend kan het niet voeren van vertrekgesprekken omdat de rechtbank dit verbiedt, geen gevolgen hebben voor een mogelijke beoordeling van de voortvarendheid waarmee DT&V aan de overdracht van eiseres en haar kinderen werkt. DT&V kan immers niet (juridisch) verweten worden dat hij geen vertrekhandelingen verricht als de rechter deze specifieke handelingen verbiedt.
13. Iedere verdere beslissing in de beroeps- en verzoekprocedure wordt aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:
  • bepaalt dat DT&V geen contact mag opnemen met eiseres en haar kinderen totdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.