Uitspraak
1.[eisers sub 1],
2. [eisers sub 2],
eisende partijen,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met bijlagen,
- de conclusie van repliek met bijlagen,
- de conclusie van dupliek.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
schade voortvloeiend uit vertraging” in de zin van artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal, waardoor het schadecomponent tijdsverlies, als ongemak, niet binnen de werkingssfeer van artikel 29 van Pro dat Verdrag valt. Hiermee is echter niet geoordeeld dat de compensatie vanwege tijdsverlies geen schade zou zijn. De compensatie is een gestandaardiseerde vergoeding. In het arrest is daarover overwogen dat alle passagiers van een vertraagde vlucht op dezelfde wijze het tijdverlies ondergaan. Er is niet altijd een direct verband tussen de werkelijke vertraging van een vlucht en het tijdverlies dat bepaalt of een passagier recht heeft op compensatie en hoe hoog die compensatie is. Volgens de Verordening ontstaat het recht op compensatie namelijk pas als de passagier drie uur of meer later aankomt dan gepland. Een vertraging op zichzelf is dus niet voldoende. Ook geldt dat de hoogte van de compensatie niet toeneemt als de vertraging langer duurt dan drie uur. Hoewel een langere vertraging vaak meer overlast en schade veroorzaakt, blijft de compensatie een vast bedrag. Bij het bepalen van de vergoeding wordt dus geen rekening gehouden met extra vertraging boven de drie uur. Kortom, de compensatie is een vergoeding van forfaitair berekende schade. Dit betekent dat de vordering tot gelet op artikel 6:83 sub b Burgerlijk Pro Wetboek (BW) terstond opeisbaar is en het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt op het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. De gevorderde wettelijke rente is daarom toewijsbaar vanaf de afgesproken datum waarop de vlucht vertraagt is uitgevoerd, te weten 6 juli 2023.