ECLI:NL:RBDHA:2026:17926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
11834349 / RL EXPL 25-14874
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 EU-verordening 261/2004Art. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 7 EU-verordening 261/2004Art. 19 Verdrag van Montreal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers krijgen vergoeding voor vertraagde vlucht door onvoldoende causaal verband met storm

De passagiers hadden een boeking voor vlucht OR 377 van Curaçao en Bonaire naar Amsterdam, die op 6 juli 2023 met een vertraging van meer dan drie uur aankwam. Zij vorderden een vergoeding van €300 per persoon op grond van EU-verordening 261/2004, vermeerderd met rente en kosten. TUI stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk storm Poly op 5 juli 2023, en dat zij redelijke maatregelen had getroffen.

De rechtbank oordeelde dat hoewel storm Poly een buitengewone omstandigheid is, onvoldoende causaal verband bestaat tussen deze storm op 5 juli en de vertraging van vlucht OR 377 op 6 juli. De vertraagde vlucht was geen onderdeel van dezelfde rotatievlucht als de vlucht die door de storm werd getroffen. Hierdoor kon TUI zich niet beroepen op buitengewone omstandigheden voor de vertraagde vlucht.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen omdat de passagiers onvoldoende hadden onderbouwd dat er meer werkzaamheden waren verricht dan het verzenden van enkele aanmaningen. De wettelijke rente over de vergoeding en proceskosten werd toegewezen vanaf 6 juli 2023. TUI werd veroordeeld tot betaling van €900 aan de passagiers, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: TUI wordt veroordeeld tot betaling van €900 aan passagiers wegens vluchtvertraging zonder geldige buitengewone omstandigheid.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer: 11834349 \ RL EXPL 25-14874
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van

1.[eisers sub 1],

wonende te [woonplaats 1],
2. [eisers sub 2],
3. [eisers sub 3],
beiden wonende te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de passagiers,
gemachtigde: mr. R. Bos,
tegen
de besloten vennootschap TUI AIRLINES NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juli 2025 met bijlagen,
- de conclusie van antwoord met bijlagen,
- de conclusie van repliek met bijlagen,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eisers sub 1] had voor 6 juli 2023 een boeking voor vlucht OR 377 van TUI van Aeropuerto Hato (Curaçao) naar Amsterdam-Schiphol met een tussenlanding op Bonaire Flamingo International Airport.
2.2.
[eisers sub 2 en sub 3] c.s. hadden voor 6 juli 2023 een boeking voor vlucht OR 377 van Bonaire Flamingo International Airport naar Amsterdam-Schiphol.
2.3.
De vlucht OR 377 betrof een rotatievlucht van Amsterdam – Curaçao – Bonaire – Amsterdam. Deze vlucht is uitgevoerd met het vliegtuig met registratienummer PH-TFM (hierna: het vliegtuig).
2.4.
Het vliegtuig stond op 5 juli 2023 gepland voor de rotatievlucht OR 703 van Amsterdam – Punta Cana – Bonaire – Amsterdam. Deze rotatievlucht is echter gestart vanaf Brussel.
2.5.
De passagiers zijn op 6 juli 2023 vanuit Bonaire respectievelijk Curaçao vertrokken naar Amsterdam. Het vliegtuig is met een vertraging van 3 uur en 13 minuten gearriveerd in Amsterdam.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen - samengevat - veroordeling van TUI tot betaling van € 1.035,-, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Aan hun vorderingen leggen de passagiers ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; de Verordening) en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie [1] , hen recht geven op een vergoeding van € 300,- per persoon in verband met de opgelopen vertraging van hun vlucht van Curaçao respectievelijk Bonaire naar Amsterdam. Omdat betaling uitbleef hebben de passagiers kosten moeten maken die worden begroot op € 135,-. Daarnaast is TUI de wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
TUI voert verweer. TUI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de passagiers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van hen in de kosten van deze procedure. Kort gezegd stelt TUI dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden namelijk storm Poly op 5 juli 2023 en dat ondanks het treffen van redelijke maatregelen de vertraging niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen buitengewone omstandigheid
4.1.
Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Dit betekent dat TUI de passagiers in beginsel moet compenseren. Dit is anders als TUI kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
4.2.
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
4.3.
TUI heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat op 5 juli 2023 Schiphol te kampen had met een zware storm (Storm Poly) als gevolg waarvan de luchtverkeersleiding de capaciteit van de luchthaven aanzienlijk heeft beperkt. Niet in geschil is dat een dergelijke storm een buitengewone omstandigheid kan opleveren. De passagiers hebben echter betoogd dat er geen causaal verband (meer) is tussen de storm en de vertraging. TUI wist immers ruim van te voren van de capaciteitsreducties op Schiphol op 5 juli 2023 en had dus andere maatregelen kunnen en moeten treffen.
4.4.
De vraag is of er nog voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen beide vluchten. Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert kan immers een beroep doen op een buitengewone omstandigheid waardoor niet de vertraagde vlucht is getroffen, maar een eerdere vlucht die zijzelf met hetzelfde luchtvaartuig dezelfde dag heeft uitgevoerd [2] , op voorwaarde dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze omstandigheid en de langdurige vertraging van de latere vlucht bij aankomst. Daarbij dient met name rekening gehouden te worden met de wijze waarop het betreffende luchtvaartuig door de betrokken luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert wordt geëxploiteerd.
4.5.
De kantonrechter is met de passagiers van oordeel dat hier onvoldoende causaal verband bestaat tussen de buitengewone omstandigheid op 5 juli 2023 en de vertraging op 6 juli 2023. Uit de onder 4.4 genoemde uitspraak volgt dat een buitengewone omstandigheid niet doorwerkt op een vlucht die geen onderdeel is of een opvolgende vlucht is van een rotatievlucht op een bepaalde dag. In dit geval gaat het om een buitengewone omstandigheid op 5 juli 2023 die zich voordeed bij rotatievlucht OR 703, terwijl de vertraging zich voordeed op 6 juli 2023 bij rotatievlucht OR 377. Deze laatste vertraagde vlucht is niet aan te merken als een onderdeel van de rotatievlucht van OR 703 van 5 juli 2023, zodat de buitengewone omstandigheid niet doorwerkt. Nu TUI voor de vlucht OR 377 geen beroep kan doen op een buitengewone omstandigheid is de vraag of zij al dan niet alles heeft gedaan om de vertraging te voorkomen niet meer relevant. De vorderingen worden daarom toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. TUI betwist dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Er is per passagier slechts een automatisch gegenereerde brief verzonden en een enkele gestandaardiseerde herhaling. Vastgesteld kan worden dat de vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke rente
4.7.
Anders dan TUI heeft betoogd volgt uit het Nelson-arrest [3] niet dat de compensatie als bedoeld in artikel 7 van Pro de Verordening niet kan worden aangemerkt als schadevergoeding. In het arrest is geoordeeld dat tijdsverlies niet kan worden aangemerkt als “
schade voortvloeiend uit vertraging” in de zin van artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal, waardoor het schadecomponent tijdsverlies, als ongemak, niet binnen de werkingssfeer van artikel 29 van Pro dat Verdrag valt. Hiermee is echter niet geoordeeld dat de compensatie vanwege tijdsverlies geen schade zou zijn. De compensatie is een gestandaardiseerde vergoeding. In het arrest is daarover overwogen dat alle passagiers van een vertraagde vlucht op dezelfde wijze het tijdverlies ondergaan. Er is niet altijd een direct verband tussen de werkelijke vertraging van een vlucht en het tijdverlies dat bepaalt of een passagier recht heeft op compensatie en hoe hoog die compensatie is. Volgens de Verordening ontstaat het recht op compensatie namelijk pas als de passagier drie uur of meer later aankomt dan gepland. Een vertraging op zichzelf is dus niet voldoende. Ook geldt dat de hoogte van de compensatie niet toeneemt als de vertraging langer duurt dan drie uur. Hoewel een langere vertraging vaak meer overlast en schade veroorzaakt, blijft de compensatie een vast bedrag. Bij het bepalen van de vergoeding wordt dus geen rekening gehouden met extra vertraging boven de drie uur. Kortom, de compensatie is een vergoeding van forfaitair berekende schade. Dit betekent dat de vordering tot gelet op artikel 6:83 sub b Burgerlijk Pro Wetboek (BW) terstond opeisbaar is en het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt op het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. De gevorderde wettelijke rente is daarom toewijsbaar vanaf de afgesproken datum waarop de vlucht vertraagt is uitgevoerd, te weten 6 juli 2023.
Proceskosten
4.8.
TUI is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van passagiers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
226,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
730,47
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt TUI om aan de passagiers te betalen een bedrag van € 900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt TUI in de proceskosten van € 730,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TUI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt TUI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Voetnoten

1.Het Wallentin-Hermann arrest (HvJ EU 22 december 2008, C-549/07), het Sturgeon-arrest (HvJ EU 19 november 2009, C-402/07) en het Folkerts-arrest (HvJ EU 26 februari 2013, C-11/11).
2.Zaak C-74/19, Transportes Aéreos Portugueses, EU:C:2020:460, punt 52 en 55 en zaak C-826/19, Austrian Airlines, ECLI:EU:C:2021:318, punt 57.
3.HvJ EU 23-10-2012, ECLI:EU:C:2012:657