ECLI:NL:RBDHA:2026:17937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
09/320931-20
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bezit cocaïne, hennep, oxazepam en diazepam met gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 1 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van het aanwezig hebben van diverse hoeveelheden cocaïne, hennep, oxazepam en diazepam. De zaak werd behandeld na procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging, waarbij een gevangenisstraf van 99 dagen met aftrek van voorarrest werd voorgesteld.

Tijdens de inhoudelijke behandeling op 17 juni 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en bewust heeft ingestemd met het afdoeningsvoorstel. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte op 18 december 2020 te Rijswijk in vereniging met anderen ongeveer 37,6 gram cocaïne, 125 gram hennep, 338 pillen oxazepam en 338 pillen diazepam aanwezig had. Het tenlastegelegde feit van het telen en voorbereiden van amfetamine werd vrijgesproken.

De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking. De procesafspraken en de medewerking van de verdachte aan een versnelde procedure werden als verzachtende omstandigheden meegewogen. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 99 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en sprak de verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 99 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens medeplegen bezit van drugs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/320931-20
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 maart 2021 (pro forma) en 17 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Oostrom en van hetgeen door de raadsman mr. B.G.M. (Bart) Frencken naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 18 december 2020 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:
-39,4 gram cocaïne en/of
-7 pillen oxycodon
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of oxycodon zijnde cocaïne en oxycodon een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 18 december 2020 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:
- 125 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en/of
- 338 pillen oxazepam en/of
- 401 pillen diazepam
zijnde hennep en/of oxazepam en/of diazepam een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
zij op of omstreeks 18 december 2020 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine, zijnde
(met)amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 977,5 gram MAPA (methyl 3-oxo-2-fenylbutanoaat), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3.Procesafspraken

3.1.
De aard van de zaak
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 13 maart 2026 door de officier van justitie, de verdachte en haar raadsman zijn ondertekend. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.
Dit afdoeningsvoorstel houdt het volgende in:
  • verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt reeds ingediende en toegewezen verzoeken in;
  • verdachte hoeft in het kader van de afspraken geen nadere verklaring af te leggen;
  • het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting ten aanzien van feit 1 vrijspraak vorderen van het opzettelijk aanwezig hebben van de zeven pillen oxycodon en een bewezenverklaring vorderen van het opzettelijk aanwezig hebben van 39,4 gram cocaïne. Ten aanzien van feit 2 zal het Openbaar Ministerie een bewezenverklaring vorderen. Voorts zal het Openbaar Ministerie vrijspraak vorderen van het onder 3 ten laste gelegde;
  • het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de oplegging vorderen van een gevangenisstraf van 99 dagen, waarbij de aftrek van het aantal dagen dat de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest (99 dagen) in mindering wordt gebracht;
  • de verdachte doet afstand van de inbeslaggenomen 135 euro;
  • door de verdediging worden geen verweren gevoerd;
  • verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de Rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
Indien de rechtbank bovengenoemde procesafspraken zou afwijzen, wordt (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022, r.o. 5.7.4) verzocht tot heropening van het onderzoek ter zitting in de volgende gevallen:
- indien de rechtbank tot een ruimere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover de aard van het delict hiermee wezenlijk verandert;
- indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en een hogere straf dient te worden opgelegd.
3.2.
Het toetsingskader
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252. Deze komen neer op het volgende.
Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.
Op grond van artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.
Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv Pro brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat het afdoeningsvoorstel daarover inhoudt – dient na te gaan of zij de aan de verdachte ten laste gelegde feiten bewezen acht. Artikel 338 Sv Pro dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv Pro heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat het afdoeningsvoorstel over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.
Om betekenis toe te kunnen kennen aan het afdoeningsvoorstel, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl deze zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.
3.3.
De behandeling ter terechtzitting
Om de hiervoor genoemde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de strafzaak inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2026. Na de voordracht van de zaak door de officier van justitie heeft de rechtbank de verdachte bevraagd over het afdoeningsvoorstel. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat zij weet wat het afdoeningsvoorstel inhoudt, dat zij begrijpt dat zij bepaalde haar toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor haar kunnen zijn. De verdachte is daarnaast vrijwillig tot de beslissing is gekomen om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Concreet heeft de verdachte in dit kader verklaard dat zij over de inhoud van het afdoeningsvoorstel met haar raadsman heeft gesproken, dat zij zich bewust is van de gevolgen van de in dit voorstel gemaakte afspraken en dat zij achter deze afspraken staat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt.
Vervolgens heeft de rechtbank de verdachte de gelegenheid geboden om te reageren op de haar ten laste gelegde feiten. De verdachte en haar raadsman hebben ter terechtzitting te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.
Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig het afdoeningsvoorstel en heeft de verdediging zich daarbij aangesloten. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
In het hiernavolgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit artikel 350 Sv Pro
beantwoorden.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is – overeenkomstig de procesafspraken – ten aanzien van de bewijsbeslissing geen verweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde acht de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen in het dossier bewezen dat de verdachte een hoeveelheid van 37,6 gram cocaïne voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde stelt de
vast dat de tenlastelegging een kennelijke verschrijving bevat doordat daarin de hoeveelheden diazepam en oxazepam omgekeerd zijn opgenomen. De rechtbank zal deze hoeveelheden verbeterd lezen. De verdachte wordt hierdoor niet in haar belangen geschaad, omdat duidelijk is dat dit een verschrijving betreft en er geen twijfel over kan hebben bestaan waartegen zij zich moest verdedigen. Anders dan de bewezenverklaring die in de procesafspraken is opgenomen, zal de rechtbank niet een grotere hoeveelheid dan 338 pillen diazepam bewezen verklaren omdat zij dient te beraadslagen op de grondslag van de (door haar verbeterd gelezen) tenlastelegging. Zoals ter terechtzitting is besproken, behoeft dit volgens de verdediging en de officier van justitie niet tot heropening van het onderzoek te leiden.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zijop 18 december 2020 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:
-37,6 gram cocaïne
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
zijop 18 december 2020 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- 125 gram hennep, en
- 338 pillen diazepam en
- 338 pillen oxazepam
zijnde hennep en oxazepam en diazepam een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 99 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft toegelicht dat hij bij het bepalen van zijn eis rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Voorts heeft de verdachte in het kader van de procesafspraken meegewerkt aan een procedure die tijdwinst oplevert en een tijdige tenuitvoerlegging van de straf bevordert. Dit dient het algemene belang van een effectieve strafrechtspleging
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een straf op te leggen conform de vordering van de officier van justitie.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich, samen met haar medeverdachte, schuldig gemaakt aan het overtreden van de Opiumwet, te weten het aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, hennep, oxazepam en diazepam. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Hetzelfde geldt voor illegale medicijnen. Daarnaast zijn deze drugs direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit en daarmee bezwarend voor de samenleving. Het aanwezig hebben van deze middelen is strafbaar en ongewenst.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Redelijke termijn
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het recht van de verdachte op een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden fors is overschreden en dat deze overschrijding in aanzienlijke mate verdisconteerd moet worden in de strafoplegging.
De Hoge Raad heeft in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt genomen dat de behandeling van een zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat dat de redelijke termijn in dit geval is aangevangen op het moment waarop de verdachte door de politie als verdachte is aangehouden en verhoord, te weten op 18 december 2020. De termijn is derhalve fors overschreden. Met deze overschrijding zal de rechtbank, overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, rekening houden bij de bepaling van de straf.
Procesafspraken
De rechtbank heeft acht geslagen op het afdoeningsvoorstel en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging. De officier van justitie heeft aangevoerd dat een matiging van de strafeis gerechtvaardigd is nu de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die tot tijdwinst leidt.
De rechtbank overweegt dat de tijdswinst met betrekking tot een snellere behandeling van de zaak gelegen is in het feit dat met een inhoudelijke behandeling van minder dan één uur kon worden volstaan. Gezien het omvangrijke dossier had dit zonder procesafspraken tot gevolg gehad dat een inhoudelijke behandeling van langere duur noodzakelijk zou zijn geweest. Verder is veel winst gelegen in het voorkomen van een (volledige) behandeling van de zaak in hoger beroep. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen geen rechtsgeldige manier is om afstand te doen van dat rechtsmiddel. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de vraag of belang bestaat bij dat hoger beroep.
Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig het afdoeningsvoorstel zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk indien de rechtbank de overeengekomen straf zou opleggen. Zo bezien, leiden de procesafspraken dus tot een efficiencywinst. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken, weegt de rechtbank daarom mee in haar voordeel.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De door procespartijen overeengekomen straf staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de feiten en dient in voldoende mate de met bestraffing te dienen doelen van vergelding, normbevestiging en voorkoming van recidive.
De rechtbank zal dan ook de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 99 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, als passend en geboden aan de verdachte opleggen.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

Uit de schriftelijke procesafspraken blijkt dat de verdachte afstand doet van het onder haar in beslag genomen goed, te weten een geldbedrag van 135 euro. De rechtbank zal daarom geen afzonderlijke beslagbeslissing nemen. Dit geldt eveneens voor de op de beslaglijst genoemde woning (voorwerp nr. 1), nu de officier van justitie ter zitting heeft aangegeven dat het beslag op dit voorwerp hoort bij de strafzaak tegen een medeverdachte en geen betrekking heeft op de strafzaak tegen de verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat dit voorwerp kennelijk onbedoeld op de beslaglijst in de zaak van de verdachte is terechtgekomen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I en II;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
99 (negenennegentig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. S. Mentrop-Huliselan, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.