ECLI:NL:RBDHA:2026:17943

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/1850
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken geldige machtiging bij naheffingsaanslag BPM

Eiseres B.V. maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €11.825 opgelegd door de Belastingdienst. Na handhaving van de aanslag op bezwaar stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verzocht eiseres om een geldige machtiging en een uittreksel te overleggen ter legitimatie van het beroepschrift.

Eiseres, vertegenwoordigd door een beweerdelijk gemachtigde, voldeed niet aan dit verzoek. De rechtbank kon daardoor niet vaststellen dat de gemachtigde bevoegd was om namens eiseres op te treden. Op grond van artikel 6:6 Awb Pro verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Daarnaast werd het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de gemachtigde niet als belanghebbende wordt beschouwd en er geen aanleiding is aan te nemen dat de procedure spanning of frustratie heeft veroorzaakt.

De rechtbank wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Walderveen op 29 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1850

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(beweerdelijk gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 16 maart 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 11.825. Er is daarbij een bedrag van €34 belastingrente in rekening gebracht.
De beweerdelijk gemachtigde heeft bij brief van 12 april 2023 tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij geen proceskostenvergoeding toegekend.
De beweerdelijk gemachtigde heeft op 22 januari 2024 tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Bij het beroepschrift heeft de beweerdelijk gemachtigde een ondertekende machtiging overgelegd met datum 30 maart 2023.
2. De rechtbank heeft de beweerdelijk gemachtigde vervolgens bij aangetekende brief van 6 augustus 2025 verzocht om uiterlijk 21 augustus 2025 een machtiging (niet ouder dan één jaar) waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens eiseres beroep in te stellen alsmede een uittreksel over te leggen.
3. De beweerdelijk gemachtigde heeft hier niet aan voldaan.
Beoordeling van het geschil
4. Iemand - niet zijnde een advocaat - die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren, mits de rechtbank de indiener in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen.
5. Bij aangetekende brief van 6 augustus 2025 heeft de rechtbank de gelegenheid geboden om het verzuim uiterlijk 21 augustus 2025 te herstellen. Beweerdelijk gemachtigde heeft niet binnen de gestelde termijn een machtiging en een uittreksel overgelegd die voldoet aan de wettelijke eisen en heeft daarbij ook geen identiteitsbewijs overgelegd.
6. De rechtbank overweegt het volgende. De beweerdelijk gemachtigde, zijnde een professionele procespartij, weet, althans behoort te weten dat, in het geval door hem beroep wordt ingesteld bij de rechtbank, een geldige machtiging en daarnaast een kopie van een geldig identiteitsbewijs overgelegd dient te worden. De reden dat naast een geldige machtiging tevens een kopie van een geldig identiteitsbewijs dient te worden overgelegd, is gelegen in de omstandigheid dat de beweerdelijk gemachtigde bij de rechtbank een veelvoud aan beroepszaken aanhangig heeft gemaakt en het de rechtbank in een aantal beroepszaken bij nadere bestudering van de overgelegde machtigingen is gebleken dat zij de beoordeling van de geldigheid daarvan niet kan uitvoeren. Niet alleen zijn de meeste machtigingen vaak oud, maar ook is in sommige gevallen de vermelde datum deels weggevallen of zijn vraagtekens gerezen bij de daarop geplaatste handtekeningen. Verder blijkt uit een aantal uitspraken van rechterlijke instanties in den lande dat de door de beweerdelijk gemachtigde ingediende machtigingen niet juist zijn. Dit alles maakte dat de rechtbank een extra controle heeft willen uitvoeren op het aanwezig zijn van een juiste machtiging.
7. Gebleken is dat beweerdelijk gemachtigde de opgevraagde stukken niet voor
21 augustus 2025 heeft overgelegd. Ook is niet gebleken dat van de zijde van de beweerdelijk gemachtigde anderszins stukken zijn overgelegd op grond waarvan de geldigheid van de machtiging kan worden beoordeeld.
8. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet beoordelen of eiseres beweerdelijk gemachtigde opdracht heeft gegeven om namens haar beroep in te stellen. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd.
9. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
De verwijzing van de gemachtigde van eiseres naar artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan wel naar andere (Europese) regelgeving dan wel ook overigens heeft aangevoerd, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af.
Verzoek tot vergoeding van immateriële schade
10. In het beroep is om vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting achterwege blijven. De rechtbank overweegt daartoe dat in dit geval redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de beweerdelijk gemachtigde niet gerechtigd was om – namens eiseres – beroep in te stellen. Indien in een dergelijk geval degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt. De beweerdelijk gemachtigde is immers geen belanghebbende in de zin van de Awb bij de uitkomst van de procedure. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, ook niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade daarom af.
Proceskosten
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van de immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klik u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).