ECLI:NL:RBDHA:2026:17948

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/1513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet bpmArt. 8 Uitvoeringsregeling bpmArt. 110 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag BPM op gebruikte importauto

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.363 opgelegd door de Belastingdienst naar aanleiding van de registratie van een gebruikte Volkswagen Golf uit de VS. De Belastingdienst verwierp het door eiser overgelegde taxatierapport vanwege het ontbreken van een inkoopfactuur en niet voldoen aan wettelijke eisen. De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport niet voldoet aan de vereisten van de Wet BPM en de Uitvoeringsregeling BPM, waardoor de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Eiser stelde dat het recht op hoor en wederhoor was geschonden omdat hij niet mondeling kon reageren voorafgaand aan de naheffingsaanslag. De rechtbank oordeelt dat schriftelijke mogelijkheden tot reageren voldoende zijn en dat het Unierecht geen mondelinge hoorplicht voorschrijft in deze fase. Daarnaast faalt het beroep op artikel 110 VWEU Pro omdat het hier gaat om een import uit een niet-lidstaat en de naheffing niet in strijd is met het Unierecht.

Verder is de stelling van eiser dat het forfaitaire afschrijvingspercentage te laag is, niet onderbouwd en faalt de grief. Ook het beroep op onrechtmatige belastingcontrole wordt verworpen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financiële belang onvoldoende is onderbouwd en de overschrijding niet leidt tot toekenning van schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1513

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 21 oktober 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 7.363. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 december 2023 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mrs. [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 16 mei 2022, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Golf uit de VS met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op 30 mei 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] .
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
28-02-2017
CO2-uitstoot
220 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 33.729
Bruto bpm
€ 35.117
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 75.929
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 3.260
Verschuldigde bpm
€ 1.506
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van Haaglanden Expertise, door [naam] ondertekend. Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 3 mei 2022 tussen 15:15 tot 15:45 uur te Den Haag. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 14.322 (waarde herleid aan de hand van vier referentievoertuigen en de koerslijst Eurotax) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 6.811,08 inclusief btw. Ook is vermeld dat er met € 5.000 waardevermindering in verband met gedocumenteerd totaal-verlies USA is rekening gehouden. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van de auto gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het door eiser gehanteerde taxatierapport. Daartoe is onder meer redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm en artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Er is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring als bijlage bij de taxatie gevoegd. Bovendien voldoet de taxatie niet aan artikel 10, negende lid, Wet bpm, nu het taxatierapport niet ten hoogste één maand vóór het keuringsmoment door de RDW, aldus verweerder. Ook vindt verweerder dat er slechts gebruiksschade is vastgesteld bij de auto, dat onterecht 100% schadeaftrek is toegepast en dat de handelsinkoopwaarde opmerkelijk is vastgesteld. De € 5.000 aan additionele waardevermindering vindt verweerder dan ook onterecht. Verweerder heft na op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. Bij brief van 25 augustus 2022 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de herberekeningen door verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 8.869. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 1.506), resteert een te betalen bedrag van € 7.363. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 27 september 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld een naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Eisers rechten die hij kan ontlenen aan het verdedigingsbeginsel zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) - niet toegestaan;
Er moet, vanwege een zogenaamde 'markt- en dealersituatie', een forfaitaire correctie worden toegepast;
De CO2-uitstoot moet volgen uit de uitstoot van soortgelijk binnenlands voertuig;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiser concludeert subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast verzoekt eiser om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief a)
10. Het betreft een import van een niet-lidstaat zodat artikel 110 VWEU Pro in zo een situatie geen toepassing vindt. Voorts overweegt de rechtbank als volgt. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
11. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 25 augustus 2025, respectievelijk 27 september 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van Pro de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaalrechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.

De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief b)12.Het betreft een import van een niet-lidstaat zodat artikel 110 VWEU Pro in zo een situatie geen toepassing vindt. Voorts overweegt de rechtbank als volgt. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.

De toepassing van een forfaitaire correctie vanwege de zogenaamde 'markt- en dealersituatie' (grief c)
13. Deze correctie kan worden toegepast indien de waarde van de auto is vastgesteld aan de hand van de koerslijst Eurotaxglass’s. Deze koerslijst staat een correctie “bijstelling dealersituatie” toe in verband met de omstandigheid dat (merk)dealers minder voor een auto kunnen bieden, aangezien zij meer overheadkosten hebben (te denken valt hierbij aan prestigieuze showrooms, hooggeschoold personeel en de omstandigheid dat zij gebonden zijn aan distributieovereenkomsten van officiële importeurs en fabrikanten). De bewijslast ter zake van de noodzaak voor toepassing van een dergelijke correctie rust op de belastingplichtige.
14. Verweerder stelt zich dienaangaande op het standpunt dat de bij het taxatierapport gevoegde koerslijst een waarde bevat die afwijkt van de basiswaarde. Verweerder heeft de het taxatierapport (en de daarin geïntegreerde koerslijst) namelijk verworpen. Volgens verweerder moet er alsnog een adequate koerslijst van het voertuig overlegd worden.
15. Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen en dat de bijgevoegde koerslijst gewoon kan dienen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan de daaraan in de Uitvoeringsregeling bpm gestelde eisen (artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling), nu geen aankoopfactuur of aankoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Eiser heeft deze bescheiden ook niet later in de procedure alsnog ingebracht. Reeds daarom komt aan het taxatierapport – en de daarin geïntegreerde koerslijst – niet de betekenis toe die eiser daaraan toegekend wenst te zien.
16. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat de bewijslast bij eiser ligt en dat eiser een adequate koerslijst Eurotaxglass’s in het geding had moeten brengen.
De CO2-uitstoot (grief d)
17. De grief van eiser dat de uitstoot kennelijk begrensd is met een uitstoot van 145 gram voor een soortgelijk binnenlands voertuig, waardoor verweerder het risico op schending van artikel 110 VWEU Pro kennelijk aanvaardt, omdat voor de auto uitgegaan wordt van de werkelijke uitstoot van het voertuig zonder de waarde van het importvoertuig te vergelijken met de waarden van soortgelijke binnenlandse voertuigen, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. Op geen enkele wijze is immers gebleken dat verweerder in de praktijk voorrang geeft aan hetgeen eiser heeft gesteld met betrekking tot de betreffende koerslijst boven de wettelijke bepalingen inzake de uitstoot van CO² en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen. Verweerder heeft zich aangesloten bij de eigen uitstoot van het voertuig. Eiser heeft niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt dat dit gegeven onjuist is.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief e)
18. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
19. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 74,744% in het onderhavige geval ontleend aan de forfaitaire afschrijvingstabel. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 88,20% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de een rekenfout gemaakt heeft. Verweerder had een historische nieuwprijs van € 78.977 moeten gebruiken in zijn berekeningen. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
20. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens eiser bedraagt de verschuldigde belasting, met een historische nieuwprijs van € 78.977, in totaal
€ 4.145 (en niet de door verweerder voorgestane € 8.869). De rechtbank kan de berekening van eiser in zijn beroepschrift niet volgen. Het is aan de belastingplichtige om vermindering van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken. Eiser is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De grief faalt.
De belastingcontrole door verweerder (grief f)
21. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
22. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
23. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
Conclusie24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade25. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
26. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan belanghebbende betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
27. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
28. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 6 november 2025 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
29. De grond van eiser waaruit volgens hem blijkt dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden, berust op een niet inzichtelijke berekening, zo heeft de rechtbank overwogen onder overweging 20. De rechtbank neemt derhalve geen financieel belang aan in deze zaak
30. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).