De minister van Asiel en Migratie legde op 21 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde de zaak op 30 januari 2026 via telehoren.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank stelde vast dat eiser niet binnen 24 uur na inbewaringstelling in het detentiecentrum Rotterdam was geplaatst, maar dit maakte de bewaring niet onrechtmatig.
De rechtbank oordeelde dat eiser onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan en dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht aan Zwitserland. De gronden voor bewaring werden niet betwist en de rechtbank vond deze voldoende om het risico op onttrekking aan toezicht te rechtvaardigen. Ook werd rekening gehouden met de medische en psychische toestand van eiser, waarbij passende maatregelen in het detentiecentrum mogelijk zijn.
De rechtbank concludeerde dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht, gepland op 3 februari 2026, en dat geen onrechtmatigheid of strijd met non-refoulement of gezinsleven is gebleken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.