ECLI:NL:RBDHA:2026:17968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.34402 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Opposant diende op 28 juli 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 7 januari 2024. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 18 maart 2026 het beroep gegrond en beval de minister binnen acht weken alsnog een besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in, stellende dat er op de dag van de uitspraak al een besluit op zijn aanvraag bekend was bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat zij in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft aangenomen dat er nog geen besluit was genomen.

De uitspraak van 18 maart 2026 wordt daarom vervallen verklaard en het onderzoek wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van opposant, vastgesteld op € 467,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, de uitspraak van 18 maart 2026 vervalt en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34402 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant [1] , V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: P.A.E. Engelen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2026 in het geding tussen
opposant
en

de Minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Opposant heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 7 januari 2024.
1.1.
Bij uitspraak van 18 maart 2026 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van opposant gegrond verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 7 januari 2024.
De uitspraak van 18 maart 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van opposant gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de beslistermijn is overschreden en nog geen besluit bekend is gemaakt.
Het verzet
6. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er op de dag van de uitspraak wel al een besluit op de asielaanvraag van opposant bekend was bij de rechtbank.
7. De verzetsgrond slaagt. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel gegrond was en dat de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan. Immers, er was al een besluit genomen op de aanvraag van opposant en de rechtbank heeft dat niet onderkend in de bestreden uitspraak.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 18 maart 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,-. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de uitspraak van 18 maart 2026 vervallen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5.