ECLI:NL:RBDHA:2026:17972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.10949
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b, eerste lid, onder c en d Vw 2000Art. 32, tweede lid ProcedurerichtlijnArt. 6:22 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Eritrese asielzoeker wegens ongeloofwaardige vrees en legale uitreis

Eiser, een Eritrese nationaliteithebbende, verzocht op 7 oktober 2024 om een verblijfsvergunning asiel. Hij verliet Eritrea legaal op 20 september 2024 en diende zijn asielaanvraag in nadat hij zijn paspoort had verbrand. Eiser stelde dat hij vanwege zijn militaire verleden en kritiek op de Eritrese autoriteiten vreest voor gevangenschap of dood bij terugkeer.

De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat de vrees van eiser niet geloofwaardig was. De minister baseerde dit op het feit dat eiser zich meerdere keren kritisch had uitgelaten zonder gevolgen, dat hij legaal kon uitreizen en dat het onlogisch was dat zijn kameraden mishandeling voorkwamen. Ook werd het verbranden van het paspoort als indicatie van kwade trouw gezien.

De rechtbank oordeelde dat de minister de motieven van eiser voldoende had gemotiveerd en dat de vrees voor ernstige schade niet aannemelijk was gemaakt. Hoewel de minister een motiveringsgebrek had in de grond voor afwijzing wegens vernietiging van het paspoort, werd dit hersteld door toepassing van een andere grond. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10949

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] .
1.1.
De rechtbank laat in deze uitspraak de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser zegt geboren te zijn op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser is op een door Italië afgegeven Schengenvisum naar Europa gereisd om zijn in Nederland wonende zoon te bezoeken. Eiser heeft Eritrea op 20 september 2024 op legale wijze verlaten en is Nederland diezelfde dag ingereisd. Hij heeft tot 7 oktober 2024 bij zijn zoon verbleven. Eiser wilde niet terugkeren naar Eritrea, heeft zijn paspoort verbrand en op 7 oktober 2024 asiel aangevraagd.
3.1.
Eiser heeft verder verklaard dat hij in Eritrea in 1977 in militaire dienst is gegaan, heeft deelgenomen aan de onafhankelijkheidsstrijd tegen Ethiopië en later aan de gevechten tegen Ethiopische troepen toen deze Eritrea binnenvielen. In 1999 is eiser daarbij invalide geraakt. De Eritrese regering organiseert af en toe bijeenkomsten voor invalide veteranen. Tijdens zo’n bijeenkomst in maart of april 2023 werd hen door de minister van sociale zaken huisvesting en voorzieningen in het vooruitzicht gesteld. Omdat eiser eerder had meegemaakt dat van dergelijke beloften niets terechtkwam, ging eiser hierover met de minister in discussie. Die wilde eiser door de politie van de bijeenkomst laten verwijderen maar zijn vrienden voorkwamen dat hem iets werd aangedaan. Eiser kon naar huis vertrekken maar mocht niet meer bij bijeenkomsten aanwezig zijn. Verder merkte hij dat hij door iemand in de gaten werd gehouden. In februari 2024 verscheen er bij eiser een orthodoxe priester aan de deur die zich voordeed als lid van de Pinkstergemeente en eiser probeerde over te halen zich bij deze organisatie aan te sluiten. Eiser weigerde dit. Later kreeg hij in de gaten dat de priester vergezeld werd door twee politieagenten die eiser waarschijnlijk hadden gearresteerd als eiser op het aanbod van de priester was ingegaan. Bij terugkeer vreest eiser door de Eritrese autoriteiten gevangen te worden gezet of te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Zijn problemen vanwege zijn verzet tegen de Eritrese overheid.
4.1.
De minister vindt asielmotief 1 geloofwaardig en asielmotief 2 niet geloofwaardig. De minister acht daarvoor van betekenis dat eiser heeft verklaard zich meerdere keren, te weten in oktober 1999 en in de periode van april 2023 tot en met februari 2024, tegenover zijn leidinggevende dan wel de Eritrese autoriteiten kritisch te hebben uitgelaten, zonder dat dit in de periode daarna tot problemen voor hem leidde. Eiser geeft weliswaar aan dat als hij terugkeert en in Eritrea zijn mening uit, de Eritrese autoriteiten ‘een einde aan hem zullen maken’, maar de minister ziet niet in waarom zij dat dan al niet eerder zouden hebben gedaan. Vervolgens wijst de minister erop dat eiser legaal Eritrea heeft kunnen verlaten. Een legale uitreis acht de minister niet waarschijnlijk als eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten had gestaan. Ook acht de minister het niet logisch dat de kameraden van eiser tijdens de bijeenkomst in april 2023 hebben weten te voorkomen dat eiser door de politie werd mishandeld en opgepakt. Dat de politie er bij de bijeenkomst van afzag om eiser te arresteren omdat ze de hele groep veteranen niet tegen zich in het harnas wilde jagen en besloten eiser later individueel aan te pakken, volgt volgens de minister ook niet uit eisers overige verklaringen.
Verder heeft eiser na zijn aankomst in Nederland zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Dat eiser bij aankomst ernstige pijnklachten heeft gehad, vindt de minister geen verschoonbare reden. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij opzettelijk zijn paspoort heeft verbrand.
4.2.
Nu eisers problemen met de Eritrese overheid niet geloofwaardig zijn en zijn vrees voor de autoriteiten niet aannemelijk is gemaakt, loopt hij bij terugkeer geen risico op ernstige schade. Eiser kan evenmin als vluchteling worden aangemerkt. Eisers aanvraag is kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000.
Beoordeling van het beroep
5. Eiser voert aan dat de minister asielmotief 2 ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Deze grond slaagt niet. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
5.1.
De rechtbank acht de motivering van de minister over asielmotief 2 in het voornemen van 16 januari 2026 en het bestreden besluit voldoende deugdelijk. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser met de door hem genoemde incidenten in combinatie met de lange perioden dat eiser door de autoriteiten met rust werd gelaten, zijn problemen vanwege zijn verzet tegen de Eritrese overheid niet geloofwaardig heeft weten te maken. De in beroep door eiser herhaalde verklaringen dat de Eritrese overheid zijn tegenstanders uitschakelt door hen op de één of andere manier in de val te laten lopen zodat zij hen kunnen beschuldigen van strafbaar gedrag en kunnen oppakken en uit de weg ruimen en dat dit ook bij hem is gebeurd, heeft de minister in het bestreden besluit al voldoende en deugdelijk weerlegd. Verder heeft de minister het niet logisch mogen vinden dat zijn kameraden konden voorkomen dat eiser door de politie zou zijn mishandeld en het ongerijmd mogen vinden dat eiser zegt problemen te hebben ondervonden, terwijl hij op legale wijze Eritrea is uitgereisd.
6. De minister heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser, mede gelet op het ongeloofwaardig geachte asielmotief en de legale uitreis van eiser uit Eritrea, zijn vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt, niet als vluchteling kan worden aangemerkt en evenmin een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea.
6.1.
Eisers betoog dat er in zijn geval individuele factoren zijn op grond waarvan in zijn geval sprake zal zijn van ernstige schade bij gedwongen terugkeer, faalt omdat er geen sprake is van gedwongen terugkeer, zodat er geen contact wordt opgenomen met de Eritrese autoriteiten. De rechtbank volgt in dit verband de deugdelijke motivering van de minister en wijst ter onderbouwing van het juridisch standpunt op enkele uitspraken van de rechtbank Den Haag, bijvoorbeeld de uitspraken met nummers NL26.8502 [2] en NL25.58672 [3] . De rechtbank volgt derhalve niet de uitspraak van de rechtbank Zwolle met zaaknummer NL24.39291 waar eiser op heeft gewezen. Eisers verwijzing naar de VN-rapporteur die waarschuwt voor grove mensenrechtenschendingen bij gedwongen terugkeer of de omstandigheid dat eiser zijn eventuele terugkeer als gedwongen ervaart, treffen gelet op het voorgaande geen doel.
6.2.
De minister heeft zich verder deugdelijk op het standpunt gesteld dat, omdat eiser legaal is uitgereisd, eiser zelfstandig kan terugkeren en dat er geen andere individuele omstandigheden zijn om een artikel 3 EVRM Pro-risico aan te nemen. Daarbij is van belang dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de Eritrese autoriteiten zullen weten dat eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd. Hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea kan worden opgemaakt dat eiser zeer waarschijnlijk op de luchthaven zal worden ondervraagd, omdat hij langere tijd buiten Eritrea heeft verbleven, betekent dit nog niet dat op dat moment kenbaar zou kunnen worden dat eiser asiel heeft aangevraagd in Nederland. Van eiser mag worden verwacht dat hij deze informatie niet deelt met de Eritrese autoriteiten. Nu eiser zelf zijn paspoort heeft verbrand, is eisers stelling dat er uit- en inreisstempels in zijn paspoort hebben gestaan, niet te beoordelen. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, leidt deze stelling evenmin tot een ander oordeel. De omstandigheid dat eiser kinderen in Europa heeft wonen en in Europa bij een van zijn kinderen is geweest, is evenmin van bijzondere betekenis, omdat eiser legaal Eritrea heeft kunnen uitreizen om zijn kinderen in Europa te bezoeken.
6.3.
Hert voorgaande betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag als ongegrond in stand kan blijven.
7. De minister heeft eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, [4] omdat volgens de minister eiser, waarschijnlijk te kwader trouw, zijn identiteits- of reisdocument vernietigd. Op zitting heeft de minister deze grond ingetrokken. Het bestreden besluit is op dit onderdeel derhalve gebrekkig; eisers beroepsgrond slaagt.
7.1.
De minister heeft op zitting gemotiveerd aangegeven dat grond c van artikel 30b, eerste lid, van de Vw wel aan eiser kan worden tegengeworpen en dat op die grond de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand kan blijven.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het voornoemde motiveringsgebrek in het bestreden besluit voldoende heeft hersteld. Omdat eiser zelf heeft aangegeven dat hij zijn paspoort heeft verbrand, kan de minister grond c van artikel 30b, eerste lid, van de Vw aan eiser tegenwerpen. De rechtbank zal het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren.

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. De rechtbank laat onder verwijzing naar rechtsoverweging 6 en met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, het bestreden besluit in stand.
9. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser vergoedt tot een bedrag van
€ 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
4.Op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder d kan de aanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.