ECLI:NL:RBDHA:2026:17983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33657
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59c Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5.5 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan hem is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van de maatregel en vordert tevens een schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, ondanks zijn stelling dat hij een Italiaanse verblijfsvergunning heeft, die bovendien volgens eiser verlopen is. De minister heeft de maatregel terecht opgelegd omdat geen minder dwingende maatregelen toereikend zijn en het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dit vordert.

Eiser voerde aan dat de omzetting van een eerdere maatregel te laat heeft plaatsgevonden, maar de rechtbank stelt vast dat deze te late omzetting geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de huidige maatregel. De ambtshalve toetsing bevestigt dat aan de voorwaarden voor vreemdelingenbewaring is voldaan.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier K.H.M.M. Otten op 30 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33657

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen. [6]
Mocht eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000 in bewaring worden gesteld?
4. Eiser voert aan dat de minister hem niet in bewaring had mogen stellen. Hij heeft namelijk een Italiaanse verblijfsvergunning. Daarom had hem de gelegenheid geboden moeten worden om naar Italië te gaan of had de minister nader onderzoek moeten doen naar deze verblijfsvergunning.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000 in bewaring mogen stellen. Het is namelijk niet in geschil dat eiser, gelet op de afwijzing van zijn asielaanvraag, niet rechtmatig in Nederland verblijft. Een eventuele Italiaanse verblijfsvergunning doet daaraan niet af. Daarbij komt dat eiser heeft verklaard dat deze vergunning inmiddels verlopen is. Om deze reden heeft de minister ook geen aanleiding hoeven zien om hiernaar nader onderzoek te doen.
Werkt de te late omzetting van de maatregel door in de huidige maatregel van bewaring?
5. Eiser heeft eerder in bewaring gezeten op grond van artikel 59b van de Vw 2000, omdat zijn asielprocedure nog liep. Hij heeft op 11 juni 2026 het beroep en de voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag, ingetrokken. Om die reden heeft de minister op 16 juni 2026 de bij besluit van 13 maart 2026 opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven en eiser diezelfde dag op grond van de huidige maatregel in bewaring gesteld.
5.1.
Eiser voert aan dat de minister de vreemdelingenbewaring te laat heeft omgezet naar een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat de eerdere maatregel te laat is omgezet naar de huidige maatregel. Het gaat hier echter om de toetsing van de nieuwe maatregel. Uit vaste rechtspraak volgt weliswaar dat de minister de maatregel binnen twee dagen moet omzetten naar een andere grondslag, maar ook dat de te late omzetting in beginsel geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de nieuwe maatregel. [7] In dit geval acht de rechtbank de omzetting niet zodanig laat dat de te late omzetting afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de huidige maatregel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
7.Vergelijk ABRvS 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943.
8.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.