ECLI:NL:RBDHA:2026:17983
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan hem is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van de maatregel en vordert tevens een schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, ondanks zijn stelling dat hij een Italiaanse verblijfsvergunning heeft, die bovendien volgens eiser verlopen is. De minister heeft de maatregel terecht opgelegd omdat geen minder dwingende maatregelen toereikend zijn en het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dit vordert.
Eiser voerde aan dat de omzetting van een eerdere maatregel te laat heeft plaatsgevonden, maar de rechtbank stelt vast dat deze te late omzetting geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de huidige maatregel. De ambtshalve toetsing bevestigt dat aan de voorwaarden voor vreemdelingenbewaring is voldaan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier K.H.M.M. Otten op 30 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.