ECLI:NL:RBDHA:2026:17989
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Nederland Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen op grond van de Dublinverordening.
Eisers stelden dat hun asielaanvragen onverplicht in behandeling genomen hadden moeten worden op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, vanwege de familierelatie met een moeder die ook asiel heeft aangevraagd in Nederland en de afhankelijkheid van dagelijkse zorg. Tevens werd aangevoerd dat proceseconomische redenen een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelt dat eisers de familieband en de mate van afhankelijkheid onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Het GZA-patiëntendossier toont geen noodzaak voor dagelijkse zorg aan. Ook is het feit dat de moeder pas later naar Nederland kwam relevant. De minister heeft terecht geoordeeld dat de Dublinverordening niet bedoeld is als route voor regulier verblijf bij familie. Proceseconomische redenen zijn niet van toepassing omdat het voor de minister juist gunstiger is de aanvragen niet in behandeling te nemen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Harten en griffier J. de Lange op 30 juni 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt het besluit om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is.