ECLI:NL:RBDHA:2026:1799

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
09/302765-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling mishandeling pasgeboren zoontje

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling en mishandeling van zijn pasgeboren zoontje in de periode van augustus tot september 2024. Het onderzoek vond plaats op 16 januari 2026, waarbij de officier van justitie primair een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling vorderde, en de verdediging integrale vrijspraak bepleitte.

Uit het bewijs, waaronder medische rapporten en verklaringen van de verdachte, bleek dat het kind meerdere bloeduitstortingen, ribbreuken en een fractuur had opgelopen. De verdachte gaf toe het kind soms lomp en onhandig te hebben vastgepakt en geschud, maar ontkende opzettelijk zwaar letsel te hebben veroorzaakt. De deskundige concludeerde dat het letsel niet volledig verklaard kon worden door de door verdachte beschreven handelingen, maar dat het wel het gevolg was van hardhandig handelen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot zware mishandeling omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij bewust de aanmerkelijke kans op zwaar letsel had aanvaard. Wel werd vastgesteld dat hij zich schuldig had gemaakt aan meervoudige mishandeling, waarbij opzet in voorwaardelijke zin werd aangenomen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 200 dagen op, waarvan 191 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, persoonlijke omstandigheden en het advies van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot zware mishandeling en veroordeeld tot 200 dagen gevangenisstraf, waarvan 191 dagen voorwaardelijk, voor meervoudige mishandeling van zijn pasgeboren zoontje.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/302765-24
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats] ([land]),
BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.L.M. de l’Isle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.A. Korver naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2024 tot en met 21 september 2024 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn zoontje [minderjarige] (geboren [geboortedatum 2] 2024) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [minderjarige] (meermalen)
- te stevig heeft vastgepakt (zonder daarbij het hoofdje te ondersteunen) en/of
- met kracht tegen zijn, verdachtes, schouder heeft gelegd en/of
- met kracht heeft geschud en/of
- met kracht bij zijn beentje heeft gepakt en dit beentje vervolgens (met kracht) krom heeft gebogen tijdens het aankleden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2024 tot en met 21 september 2024 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, zijn zoontje [minderjarige] (geboren [geboortedatum 2] 2024) heeft mishandeld, door die [minderjarige] (meermalen)
- te stevig vast te pakken (zonder daarbij het hoofdje te ondersteunen) en/of
- met kracht tegen zijn, verdachtes, schouder te leggen en/of
- met kracht te schudden en/of
- met kracht bij zijn beentje te pakken en dit beentje vervolgens (met kracht) krom te buigen tijdens het aankleden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Aangifte
Op 21 september 2024 werd de vier weken oude [minderjarige] door zijn ouders naar het ziekenhuis gebracht. Zij vonden dat hij bleek zag en hadden blauwe plekken op zijn lichaam gezien. In het ziekenhuis bleek dat [minderjarige] meerdere bloeduitstortingen had en werden breuken in zijn ribben en scheenbeen geconstateerd. Naar aanleiding hiervan heeft het ziekenhuis een melding gedaan bij Veilig Thuis. Op 26 september 2024 heeft Veilig Thuis namens [minderjarige] aangifte gedaan van (poging tot) zware mishandeling.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij op 20 september 2024 in de avond alleen thuis was met [minderjarige]. In de loop van de avond merkte hij dat [minderjarige] bleek werd en dat zijn gezicht een blauwachtige kleur kreeg. Volgens de verdachte was [minderjarige] rustig en heeft hij [minderjarige] nog in bad gedaan. Toen hij daarna nog steeds bleek bleef, begon de verdachte zich zorgen te maken. In de nacht, toen zijn vriendin thuiskwam, heeft hij haar gevraagd samen naar [minderjarige] te kijken. Omdat zij zag dat hij nog steeds bleek was, een blauwe streep op de luierrand had en zijn tong blauw was, hebben zij contact opgenomen met de huisartsenpost, die hen heeft doorverwezen naar het ziekenhuis. De verdachte heeft verklaard dat hij in de omgang met [minderjarige] soms lomp en onhandig was en dat zijn vriendin hem daar vaker op had aangesproken. Hij wilde die bewuste avond [minderjarige] kalmeren, maar heeft hem daarbij onjuist opgepakt. De verdachte heeft het hoofdje niet ondersteund en heeft [minderjarige] erg stevig opgepakt. Toen [minderjarige] harder begon te huilen, heeft de verdachte hem met kracht tegen zijn schouder gelegd en hem toen geschud. Daarbij heeft de verdachte verklaard dat hij [minderjarige] echt pijn had gedaan. In een latere verklaring is hij hier deels op teruggekomen en heeft hij gezegd dat het geen schudden was, meer wiegen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij, twee weken eerder bij het aankleden, de beentjes van [minderjarige] te hard heeft vastgepakt. De verdachte heeft verklaard dat zijn handelen voortkwam uit stress en een lange periode van slaaptekort.
Letsel
Uit forensisch onderzoek blijkt dat bij [minderjarige] de volgende letsels zijn vastgesteld: drie ribbreuken, een metafysaire hoekfractuur van de enkelzijde van het rechterscheenbeen, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog en meer dan tien bloeduitstortingen, verspreid over het lichaam. Een van de ribbreuken was op 21 september 2024 al genezende, waaruit de deskundige van het NFI opmaakt dat deze breuk minimaal twee weken oud was. De metafysaire hoekfractuur was op 7 oktober 2024 maximaal vier tot zes weken oud. De deskundige heeft geconcludeerd dat de combinatie van botbreuken, onderhuidse bloeduitstortingen en de bloeding in het linkeroog veel waarschijnlijker is onder de hypothese van een niet-accidentele (toegebrachte) krachtsinwerking dan onder de hypothese van een accidentele krachtsinwerking. Ook moeten volgens de deskundige een of meerdere krachtsinwerkingen na de geboorte hebben plaatsgevonden. De deskundige heeft beoordeeld of dit letsel past bij het door de verdachte geschetste scenario. Volgens de deskundige kan de combinatie van letsels niet verklaard worden door de handelingen zoals de verdachte die heeft beschreven. Er moet aanvullende krachtsinwerking hebben plaatsgevonden, tenminste voor de letsels van het hoofd en de buik. Er zijn uit de ontvangen gegevens geen andere toedrachten herleidbaar.
Bewezen verklaarde handelingen
Concrete aanwijzingen dat [minderjarige] de letsels bij zijn geboorte heeft opgelopen zijn er niet. Mede gelet op de beantwoording in het NFI-rapport van de vraag wanneer de letsels ontstaan kunnen zijn, neemt de rechtbank daarom aan dat de letsels na de geboorte van [minderjarige] zijn ontstaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte [minderjarige] in de avond van 20 september 2024 stevig heeft vastgepakt, hem met kracht tegen zijn lichaam heeft gedrukt en dat hij hem heeft geschud. Hoewel de verdachte het schudden later heeft ontkend, is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk sprake is geweest van schudden. De verdachte heeft dit aanvankelijk zelf verklaard en ook in meerdere afgeluisterde telefoongesprekken heeft hij het tegen zijn gesprekspartners over het “schudden” van [minderjarige]. De rechtbank overweegt daarbij dat de verdachte na de verklaring waarin hij over schudden heeft gesproken een beperktere definitie is gaan hanteren van het schudden van een kind. Schudden is echter niet alleen het krachtig op en neer bewegen van een kind dat men recht voor zich uit houdt, maar kan ook zijn het met kracht heen en weer bewegen van een kind dat men daarbij vasthoudt en tegen de borst drukt. Dit laatste komt overeen met de beschrijving die de verdachte heeft gegeven van de handelingen die hij heeft verricht.
De rechtbank kan, gelet op de inhoud van het NFI-rapport, niet vaststellen dat al het geconstateerde letsel uitsluitend door de hiervoor genoemde handelingen van de verdachte is veroorzaakt. Zij kan evenmin vaststellen welke andere handelingen dit geweest zijn. Daarvoor heeft zij geen aanknopingspunten in het dossier gevonden en de verdachte heeft hierover niet verklaard. De rechtbank gaat er wel van uit dat de letsels zoals hiervoor beschreven door hardhandig handelen van de verdachte zijn toegebracht. Op grond van de bewijsmiddelen acht zij bewezen dat in elk geval de bloeduitstortingen op de borst, armen en benen van [minderjarige] zijn ontstaan als gevolg van het in de tenlastelegging omschreven handelen door de verdachte. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niemand anders dan de verdachte in aanmerking komt als persoon die het letsel heeft toegebracht. De verdachte heeft geen andere persoon aangewezen die dat zou kunnen hebben gedaan. Ook uit het dossier blijkt niet van aanwijzingen dat een ander het letsel heeft veroorzaakt.
De rechtbank gaat er op grond van de bewijsmiddelen van uit dat de verdachte op minimaal twee verschillende momenten de tenlastegelegde handelingen heeft verricht die tot letsel hebben geleid. Uit de verklaring van de verdachte en die van zijn vriendin en schoonmoeder blijkt dat hij vaker hardhandig is geweest in de omgang met [minderjarige]. Mede gezien de hoeveelheid letsels en de verspreiding ervan over het lichaam van [minderjarige], acht de rechtbank daarom bewezen dat hij zich meermalen aan deze handelingen heeft schuldig gemaakt.
Poging zware mishandeling
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte in strafrechtelijke zin een poging tot zware mishandeling oplevert. Om tot een bewezenverklaring van een dergelijke poging te komen, moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [minderjarige], al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [minderjarige] als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat het handelen van de verdachte tot zwaar lichamelijk letsel bij [minderjarige] had kunnen leiden. Op basis van het bewezen verklaarde handelen kan de rechtbank niet concluderen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [minderjarige] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank kan niet vaststellen met welke kracht de verdachte de handelingen heeft verricht en evenmin wat zich feitelijk precies heeft voorgedaan. Wel staat vast dat sprake is geweest van gewelddadige handelingen, gelet op het bij [minderjarige] geconstateerde letsel. Deze vaststelling is zonder bijkomende omstandigheden, die ontbreken, echter onvoldoende om te kunnen oordelen dat het handelen van de verdachte naar zijn aard en intensiteit een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich bracht. Gelet op het voorgaande zal de verdachte worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
Mishandeling
Voor mishandeling is vereist dat sprake is van het opzettelijk toebrengen van pijn of letsel. De rechtbank stelt vast dat de verdachte bewust handelingen heeft verricht die naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm pijnlijk en schadelijk zijn voor een zeer jonge baby. Doordat de verdachte [minderjarige] op verschillende momenten en op verschillende manieren te hardhandig heeft vastgepakt en hem heeft geschud, is bij hem letsel ontstaan. Dat de verdachte niet de bedoeling had om [minderjarige] letsel toe te brengen, doet daar niet aan af. Daarmee is opzet in voorwaardelijke zin gegeven. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Voorwaardelijk verzoek tot heropening
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie een e-mail van 16 januari 2026 van [naam], als forensisch arts KNMG verbonden aan het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO, overgelegd. In die e-mail laat [naam] zich uit over de pijnlijkheid van de metafysaire hoekfractuur. De verdediging heeft verzocht om het onderzoek te heropenen indien de rechtbank deze e-mail voor het bewijs gebruikt. Nu de rechtbank deze e-mail niet gebruikt, wordt aan het voorwaardelijk verzoek niet toegekomen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 22 augustus 2024 tot en met 21 september 2024 te Nieuwerkerk
aan denIJssel, gemeente Zuidplas, zijn zoontje [minderjarige] (geboren [geboortedatum 2] 2024) heeft mishandeld door die [minderjarige] meermalen
- te stevig vast te pakken (zonder daarbij het hoofdje te ondersteunen) en
- met kracht tegen zijn, verdachtes, schouder te leggen en
- met kracht te schudden en
- met kracht bij zijn beentje te pakken en dit beentje vervolgens (met kracht) krom te buigen tijdens het aankleden.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 291 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank in overweging gegeven om, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, een sanctie op te leggen die niet verder reikt dan de reeds ondergane vrijheidsbeneming.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in een periode van vier weken schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn pasgeboren zoontje [minderjarige]. Daarbij heeft [minderjarige] meerdere bloeduitstortingen over zijn hele lichaam opgelopen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat al het geconstateerde letsel, met name enkele ribbreuken en een breuk in het scheenbeen, is veroorzaakt door het in de tenlastelegging omschreven handelen van de verdachte. Voor de rechtbank staat echter vast dat ook dat letsel het gevolg is geweest van hardhandig handelen door de verdachte. Zij houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de verdachte ook dit letsel heeft veroorzaakt. [minderjarige] was weerloos en geheel afhankelijk van de zorg van zijn ouders, bij wie hij veiligheid en geborgenheid had moeten vinden. In plaats daarvan heeft de verdachte, kampend met slaaptekort, stress en frustraties over het huilen van [minderjarige], zijn zoontje mishandeld. Hij heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [minderjarige]. Baby’s zijn uiterst kwetsbaar omdat hun lichaam nog in ontwikkeling is. Een geluk bij al dit ongeluk is dat er voor het letsel geen medische interventies noodzakelijk zijn geweest.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 december 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank verder heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte een stabiel en ondersteunend vangnet heeft waar hij op kan terugvallen. De verdachte heeft laten zien dat hij in staat is om voldoende zelfreflectie toe te passen. Hij heeft volgens de reclassering geleerd om opspelende frustraties of beperkingen direct bespreekbaar te maken en op concrete wijze zijn grenzen aan te geven. De veiligheidsrisico’s zijn door het toezicht tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis teruggedrongen, waarmee de beoogde doelstellingen zijn behaald. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
De rechtbank kan ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit gepleegd toen hij 22 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. Met betrekking tot de vraag of, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding bestaat om het jeugdstrafrecht toe te passen overweegt de rechtbank het volgende.
Volgens de reclassering functioneerde de verdachte ten tijde van zijn aanhouding leeftijdsadequaat en droeg hij verantwoordelijkheid voor zijn gezin, opleiding en financiën. Er zijn volgens de reclassering geen aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking of voor zodanige impulsiviteit en beïnvloedbaarheid dat toepassing van het jeugdstrafrecht aangewezen is. De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank in de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Hoewel de verdachte bij zijn schoonouders verbleef en geen eigen woning had, leefde hij in veel opzichten een volwassen leven. Hij had een serieuze relatie, was net vader geworden en droeg samen met zijn partner de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun zoontje. Daarnaast volgde hij een opleiding, liep hij stage en had hij tevens een betaalde baan, waarmee hij beschikte over een eigen inkomen. De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat de verdachte handelde vanuit een kinderlijke of impulsieve houding. Gelet op al deze omstandigheden zal de rechtbank daarom, overeenkomstig het wettelijk uitgangspunt, het volwassenenstrafrecht toepassen.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een vrijspraak van het primaire feit komt. Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht (negen dagen), waarvan 191 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient enerzijds ertoe om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
200 (TWEEHONDERD) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
191 (HONDERDEENENNEGENTIG) DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2026.