ECLI:NL:RBDHA:2026:18001

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.44835 (beroep) en NL26.26 (voorlopige voorziening)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 31 lid 6 sub c en d VwArt. 18 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieRichtlijn 2011/95/EURichtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning asiel aan Eritrese vrouw wegens risico op vervolging na desertie zoon

Eiseres, een vrouw van Eritrese nationaliteit, verzocht om asiel in Nederland nadat haar zoon voor de tweede keer was gedeserteerd en haar woning door de autoriteiten was verzegeld. Zij vreesde vervolging en ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea vanwege haar familieband met de deserteur en het feit dat zij in Nederland asiel had aangevraagd.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd en dat zij geen reëel risico liep. De rechtbank oordeelde echter dat de situatie na de tweede desertie wezenlijk anders is dan na de eerste, en dat de verzegeling van de woning en de verklaringen van deskundigen wijzen op een reëel risico op vervolging en ernstige schade.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat het aanvragen van asiel in het buitenland door de Eritrese autoriteiten als landverraad wordt gezien, wat leidt tot willekeurige detentie en mishandeling. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, wees het beroep toe en beval de minister om asiel te verlenen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en de minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het afwijzingsbesluit en beveelt toekenning van asiel aan eiseres wegens reëel risico op vervolging en ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.44835 (beroep) en NL26.26 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] en van Eritrese nationaliteit, eiseres/ verzoekster (hierna eiseres)
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiseres heeft op 12 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar asielaanvraag. [1] Verweerder heeft op 29 december 2025 alsnog op deze aanvraag beslist en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb [2] heeft het beroep tegen het niet
tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het
beroep tegemoet komt. Eiseres is het niet eens met het inhoudelijke besluit op haar asielaanvraag, zo heeft zij bij brief van 27 januari 2026 laten weten. Het beroep van eiseres heeft daarom mede betrekking op het besluit van 29 december 2025 (hierna: het bestreden besluit).
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, B. Teklemariam als tolk in de taal Tigrinja en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft in augustus 2023 Eritrea legaal verlaten met een uitreisvisum om haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen in Nederland te bezoeken. Voordat zij wilde terugkeren naar Eritrea heeft zij via een telefoongesprek tussen haar dochter en schoondochter in Eritrea vernomen dat haar zoon [naam zoon] wederom is gedeserteerd en dat de autoriteiten haar woning hebben verzegeld. [naam zoon] is tot op heden spoorloos. Eiseres vreest verantwoordelijk te worden gehouden voor de desertie van [naam zoon] , omdat zij zijn moeder is. Bij terugkeer vreest ze hiervoor te worden opgepakt en gevangengenomen. Daarnaast is haar visum een lange tijd verlopen en heeft zij in Nederland asiel aangevraagd waardoor ze ook om die reden vreest bij terugkeer naar Eritrea te worden opgepakt door de autoriteiten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen vanwege de desertie van de zoon van eiseres.
3.1.
Verweerder heeft volgens zijn toelichting op de zitting bij de rechtbank geen reden om de desertie van zoon [naam zoon] en de verzegeling van het huis van eiseres ongeloofwaardig te achten. Verweerder vindt het echter niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea gevaar loopt. Verweerder vindt hierbij van belang dat eiseres geen objectieve documenten heeft overgelegd die haar vrees onderbouwen. Daarnaast is het ongerijmd dat zij een paspoort en een visum heeft gekregen na de eerste desertie van haar zoon in 2021. Ook heeft zij toen, in 2021, geen problemen van de zijde van de autoriteiten ondervonden vanwege die eerdere desertie. De familieleden in Eritrea hebben na de tweede desertie van [naam zoon] in 2023 geen problemen ondervonden van de zijde van de autoriteiten. Dat eiseres in de negatieve belangstelling staat heeft zij enkel via horen zeggen. Daarnaast heeft eiseres niet zo spoedig mogelijk asiel aangevraagd en heeft zij daar geen goede verklaring voor. Gelet hierop voldoet ze niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw [3] . Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege het aanvragen van asiel in het buiteland en/of “visum overstay”. Eiseres heeft Eritrea legaal en zonder problemen verlaten en zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij haar vertrek of daarna in de negatieve belangstelling staat of is komen te staan. Ook behoort ze niet tot de risicoprofielen en zijn er geen concrete aanwijzingen dat een ondervraging bij terugkeer op voorhand gepaard gaat met een reëel risico op onmenselijke behandeling of ernstige schade. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond [4] en een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken kan worden opgelegd.
Bespreking van de beroepsgronden
4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij wel degelijk voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De eerste desertie is niet te vergelijken met de tweede desertie. [naam zoon] is kort na de eerste desertie in 2021 weer opgepakt, waardoor eiseres toen geen problemen met de autoriteiten heeft ondervonden, maar hij is nu na de tweede desertie nog steeds spoorloos. Daarbij is de woning van eiseres nu verzegeld. Dit wordt ook ondersteund door de berichten van de deskundigen Magnus Treiber [5] en Nicole Hirt [6] , die door eiseres zijn overgelegd. Voorts blijkt uit de ambtsberichten van 2023 en 2022 [7] niet dat ook een schoonzus van een gedeserteerd persoon problemen van de zijde van de autoriteiten ondervindt ten gevolge van de desertie. Het gaat om ouders, echtgenoten, broers en zussen. En de broer van [naam zoon] , echtgenoot van de schoonzus, oefent bovendien zijn dienstplicht uit. Ook heeft eiseres een paspoort en visum gekregen nadat [naam zoon] was opgepakt en teruggeplaatst in het leger en voordat hij voor de tweede keer is gedeserteerd. Verder kan in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat zij zich één dag te laat heeft gemeld in Ter Apel.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij conform de arresten [naam arrest] [8] en [naam arrest] [9] van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), conform artikel 46, derde lid, van Procedurerichtlijn [10] en artikel 67, derde lid, van de Procedureverordening [11] , volledig en ex nunc, oftewel uitputtend en geactualiseerd, de feiten en de behoefte aan internationale bescherming moet beoordelen.
Gegronde vrees voor vervolging en risico op ernstige schade vanwege de desertie van zoon [naam zoon]
4.2.
De rechtbank merkt eerst op dat, zoals hierboven ook al vermeld in overweging 3.1., verweerder op de zitting heeft toegelicht dat er geen aanleiding is om de huidige desertie van [naam zoon] en de verzegeling van het huis van eiseres door de Eritrese autoriteiten ongeloofwaardig te achten. Nu verweerder deze twee omstandigheden niet ongeloofwaardig vindt, is het ontbreken van bewijs dat deze omstandigheden kan onderbouwen (zoals een foto van de verzegeling) niet langer relevant. De rechtbank gaat er met partijen vanuit dat zoon [naam zoon] voor de tweede keer is gedeserteerd, tot op heden spoorloos is en dat het huis van eiseres is verzegeld. De vraag in deze zaak is wat deze omstandigheden betekenen bij terugkeer van eiseres naar Eritrea. Met andere woorden, wat betekenen deze omstandigheden voor de risicotaxatie bij terugkeer.
4.3.
Verweerder ziet geen risico voor eiseres bij terugkeer om een aantal redenen. Een daarvan is dat eiseres na de eerste desertie van [naam zoon] in 2021 ook geen problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten. Verweerder ziet niet in waarom dat nu anders zou zijn. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiseres een paspoort en visum heeft kunnen verkrijgen ondanks de eerste desertie van [naam zoon] . Dit terwijl het volgens de landeninformatie over Eritrea heel erg moeilijk is om het land uit te reizen en de autoriteiten alleen geprivilegieerden hiertoe in staat stellen.
4.4.
De rechtbank volgt eiseres in het standpunt dat de situatie na de eerste desertie van [naam zoon] wezenlijk verschilt van de huidige situatie. Na de eerste desertie was [naam zoon] snel weer opgepakt en moest hij weer in het leger dienen. Dat de autoriteiten eiseres na de eerste desertie ongemoeid hebben gelaten is gelet op het korte tijdsbestek van deze desertie en in het licht van de hierna te vermelden informatie van deskundige Hirt, niet bevreemdend te achten. Het is begrijpelijk te achten dat verweerder zich heeft afgevraagd hoe eiseres in het bezit is kunnen komen van documenten voor de uitreis, nu inderdaad uit het ambtsbericht over Eritrea van 2025 (en eerdere ambtsberichten) volgt dat het bijzonder moeilijk is om uit te reizen. De rechtbank constateert echter ook dat eiseres hierover heeft verklaard dat er op dat moment voor de autoriteiten geen reden was om haar de uitreis te weigeren nu [naam zoon] weer terug was in het leger, haar andere zoon ook diende en er verder geen familieleden meer waren die nog in het leger zouden moeten dienen.
Nu, na de huidige desertie, is [naam zoon] nog steeds spoorloos en is ook de woning van eiseres verzegeld door de autoriteiten. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de situatie daardoor nu wezenlijk anders is dan de situatie ten tijde van de eerdere desertie dan wel de situatie ten tijde van de verkrijging van uitreispapieren. De rechtbank volgt eiseres dan ook in haar visie dat uit het handelen of juist nalaten van handelen door de autoriteiten destijds, niet kan worden geconcludeerd dat de autoriteiten nu op precies dezelfde manier zullen handelen of juist niet handelen.
4.5.
Dat eiseres nu wel een risico loopt en in de negatieve belangstelling staat door de tweede desertie van [naam zoon] , wordt ondersteund door de e-mailberichten van de deskundigen Treiber en Hirt. De verklaring van Treiber biedt bovendien steun voor de stelling van eiseres dat de repercussies van de autoriteiten niet zo zeer gericht zijn tot andere familieleden dan ouders, broers en zussen.
Deskundige Treiber schrijft:
The state does not fully supervise each and every national service recruit at all times, but of course files and records will be created (and if demobilisation may not come earlier than in one's forties or fifties, then 2023 is not that long ago and 3 years are not that much...).
Although this can not be always predicted, there is no doubt that the missing of specific individuals can lead to the persecution of family members, often bread-winning parents, to press the deserter to come out of the hiding or pay a compensation fine. The report that the house has been "sealed" is decisive in your case. This would be a clear sign that the family is a target: The deserter is prevented from hiding at home, the family is ostracised in the neighbourhood (and potential subject to denunciation) and forced to live elsewhere, hand themselves in or pay compensation (for the deserter's missing workforce).
Deskundige Hirt schrijft hierover:
However, I think it is safe to say sealing homes and other measures put on family members are imposed with the aim to pressure them to contact the draft dodger and tell them to hand themselves over to the authorities. This makes the argument plausible that authorities are no longer interested in the families once the recruit has been captured and been put into military or jail. Thus the argument that your client is afraid of being targetet since her son's whereabouts are not known to the authorities absolutely makes sense. His absence makes it possible that the authorities could apprehend her or pressure her in different ways to make her reveal the whereabouts of the missing draft dodger even if the desertion took place some years back.
4.6.
Ook in het algemeen ambtsbericht over Eritrea uit 2023 staat op pagina 46 het volgende over repercussies van familieleden van deserteurs:
In het vorige ambtsbericht werd vermeld dat de gevolgen voor familieleden van dienstplichtweigeraars en deserteurs konden bestaan uit (agressieve) ondervraging, dreigementen en detentie, maar ook uit boetes, het weigeren van overheidsdiensten (zoals het verstrekken van documenten of voedselbonnen) of het beperken van de toegang tot landbouwgrond. Ook in deze verslagperiode was sprake van nadelige gevolgen voor deze familieleden. Die gevolgen zouden sterk zijn toegenomen sinds het conflict in Tigray, met name sinds de geïntensiveerde rekrutering in september 2022. Familieleden van dienstplichtontduikers kregen te maken met vergeldingsacties, zoals arbitraire detentie, confiscatie van bezittingen en het uit huis zetten van familieleden, waaronder kinderen, zwangere vrouwen en ouderen.
4.7.
De berichten van de deskundigen Treiber en Hirt en het ambtsbericht 2023 ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de vrees van eiseres dat dat zij verantwoordelijk zal worden gehouden voor de desertie van [naam zoon] en dat repercussies als hierboven genoemd in het ambtsbericht van de zijde van de autoriteiten reëel zijn. Nu desertie volgens de ambtsberichten over Eritrea wordt gezien als landsverraad en dus als een politieke overtuiging tegen het zittende regime en eiseres als moeder van een deserteur hierdoor reëel te maken kan krijgen met de in het ambtsbericht genoemde repercussies, is sprake van gegronde vrees voor vervolging wegens (door familieband toegedichte) politieke overtuiging en is er sprake van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer van eiseres naar Eritrea. De tegenwerping dat eiseres zich één dag te laat heeft gemeld voor het doen van een asielaanvraag kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet afdoen aan de aannemelijk gemaakte vrees. De beroepsgrond slaagt.
Gegronde vrees voor vervolging en risico op ernstige schade bij terugkeer na asielaanvraag in het buitenland
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de risico’s die zij loopt bij een zelfstandige terugkeer. Hiertoe heeft zij verwezen naar het ambtsbericht 2025 [12] . Hieruit blijkt namelijk – kort gezegd – dat het hebben aangevraagd van asiel in het buitenland voor terugkeerders naar Eritrea een duidelijk risicofactor is en dat bij terugkeer geen verschil wordt gemaakt in de behandeling tussen personen die legaal en die illegaal het land hadden verlaten. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij er zeker van is dat de Eritrese autoriteiten op de hoogte zijn dat zij in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan, omdat ze al zo lang na het verlopen van haar visum nog in Nederland is en de Eritrese autoriteiten de buitenlandse diaspora monitort.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook slaagt en acht hiervoor het volgende van belang. In het ambtsbericht over Eritrea uit 2025 staat op pagina 52:
Amnesty International gaf aan dat de Eritrese autoriteiten het verzoeken om asiel in het buitenland, als een vorm van landverraad beschouwden die bestraft moest worden. Amnesty International maakte in dit verband, melding van onder andere willekeurige detentie en mishandeling.
Op pagina 54 van datzelfde ambtsbericht staat:
Ook terugkeer naar Eritrea na een legale uitreis vrijwaarde de terugkeerder overigens niet van problemen, tekende Cedoca op. Als de migrant na legale uitreis in het buitenland asiel had aangevraagd, was dit bijvoorbeeld een duidelijke risicofactor.
(…)
Twee andere geraadpleegde bronnen stelden dat er geen duidelijk verschil was in de behandeling van terugkerende personen die legaal en personen die illegaal het land hadden verlaten.
Op pagina 52 van het ambtsbericht 2023 staat:
Leden van de diaspora werden onderworpen aan overheidstoezicht en intimidatie. In Zwitserland zouden infiltranten als tolk bij asielaanvragen van Eritrese asielzoekers werken die rapporteren aan de Eritrese overheid.
5.2.
Gelet op deze landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiseres, met name ook de omstandigheid dat haar visum al een lange tijd is verlopen, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege het aanvragen van asiel in het buitenland. Uit de landeninformatie volgt een reëel risico dat de Eritrese autoriteiten op de hoogte zijn van het feit dat eiseres in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en dat zij bij terugkeer daardoor het slachtoffer wordt van onder andere willekeurige detentie en mishandeling. Ook blijkt uit de landeninformatie dat het aanvragen van asiel in het buitenland als landverraad en daarmee als oppositionele daad wordt gezien. Willekeurige detentie en mishandeling als straf daarvoor kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als vervolging en als ernstige schade. In het licht van de hierboven geciteerde landeninformatie over intimidatie en monitoring van de Eritrese diaspora in het buitenland door de Eritrese autoriteiten, kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat niet in valt te zien hoe de Eritrese autoriteiten op de hoogte zouden moeten zijn van haar asielaanvraag omdat deze informatie niet door verweerder met buitenlandse autoriteiten wordt gedeeld en eiseres zelf bij terugkeer naar Eritrea niet hoeft te vermelden dat zij een asielaanvraag in het buitenland heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

6. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van Pro het Handvest [13] als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatierichtlijn [14] voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die richtlijn dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiseres stelt de rechtbank vast dat aan eiseres internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar verweerder en draagt verweerder op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
6.1.
Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verwijst de zaak terug naar verweerder en draagt verweerder op aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Het beroep niet tijdig is ingediend op 16 september 2025.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw.
5.Prof. Dr. Magnus Treiber, Institute für Ethnologie, LMU München, Institute of Social and Cultural Anthropology, LMU Munich.
6.Dr. Nicole Hirt, Associate GIGA Institute for African Affairs.
7.Pagina 41.
8.ECLI:EU:C:2026:447.
9.ECLI:EU:C:2026:448.
10.Richtlijn 2013/32/EU.
11.Verordening (EU) 2024/1348 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Europese Unie. Uit de Memorie van Toelichting bij de Uitvoeringswet EU Procedureverordening volgt dat alle nationale procedureregels per direct dus per 12 juni 2026 zullen ingaan. Daarom noemt de rechtbank ook de Procedureverordening. Het vereiste van volledig en ex nunc onderzoek door de eerstelijns nationale rechter volgt zowel uit de Procedurerichtlijn als ook uit de Procedureverordening.
12.Pagina’s 51 tot en met 54.
13.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
14.Richtlijn 2011/95/EU.