ECLI:NL:RBDHA:2026:18023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/694998 / HA ZA 25-1043
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschappelijk perceel tussen broers met toedeling aan één partij of verkoop aan derde

De zaak betreft de verdeling van een perceel dat in gemeenschappelijk eigendom is van twee broers. Na eerdere geschillen over een aangrenzend perceel, dat aan één broer is toegewezen, is er onenigheid ontstaan over het gebruik en de uitvoering van afspraken omtrent erfafscheidingen en uitritten.

Beide broers vorderen toedeling van het gemeenschappelijke perceel aan zichzelf tegen betaling van de marktwaarde aan de ander. De rechtbank overweegt dat toedeling aan één partij het conflict kan oplossen, maar wijst toe aan de broer die ook het aangrenzende perceel bezit, om escalatie te voorkomen en rust te bevorderen.

De toedeling is onderworpen aan de voorwaarde dat de koper binnen drie maanden de financiering rond krijgt. Bij uitblijven daarvan moet het perceel worden verkocht aan een derde, waarbij partijen moeten samenwerken om een minimale laatprijs te realiseren. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het perceel wordt toegewezen aan één broer onder betaling van overbedeling met opschortende financieringsvoorwaarde, bij uitblijven verkoop aan derde tegen minimale laatprijs.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/694998 / HA ZA 25-1043
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna: [partij A] ,
advocaat: mr. P.F. Keuchenius,
tegen
[partij B]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna: [partij B] ,
advocaat: mr. G.S. Ebbeng-Horstman.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 14 november 2025, met producties 1 tot en met 10;
  • de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord in reconventie;
  • het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bevolen.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van dit vonnis (nader) bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[partij A] en [partij B] zijn broers. Zij zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van een perceel gelegen aan de [adres 1] (kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] ) (hierna: [kadastraal nummer 1] ). [kadastraal nummer 1] wordt voor een groot deel verhuurd aan Enviem Retail Real Estate B.V. (voorheen Via Tankstations B.V.), die op het perceel een tankstation exploiteert. Voor een klein deel wordt het perceel verhuurd aan de gemeente Kaag en Braassem.
2.2.
Aan de oostelijke en noordelijke zijde wordt [kadastraal nummer 1] begrensd door [adres 2] (kadastraal bekend als [kadastraal nummer 2] , hierna: [kadastraal nummer 2] ). Dit perceel was voorheen eigendom van de vader van partijen, maar is via een legaat (bestaande uit alle aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. waartoe het perceel behoort) aanvankelijk ook eigendom van de broers geworden. [kadastraal nummer 2] wordt op dit moment (deels) verhuurd aan [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), die op het perceel een auto-/camperbedrijf heeft gevestigd.
2.3.
Onderstaande afbeelding (overgenomen uit de conclusie van antwoord) geeft de situatie ter plaatse weer:
2.4.
[kadastraal nummer 2] heeft een uitrit aan de [straatnaam 1] (op locatie G) waar Enviem en haar klanten gebruik van maken (via vak B-D-G). In de (allonge op) de huurovereenkomst van Enviem is opgenomen dat Enviem de huurovereenkomst per direct mag beëindigen als er geen gebruik meer kan of mag worden gemaakt van [kadastraal nummer 2] (zonder daarvoor enige vergoeding verschuldigd te zijn). [kadastraal nummer 1] heeft een uitrit aan de [straatnaam 2] (op locatie F) waar [bedrijfsnaam 2] en haar bezoekers gebruik van maken (via C, waar een elektronisch schuifhek staat).
2.5.
In 2023 hebben partijen een procedure bij deze rechtbank gevoerd over de verdeling van [kadastraal nummer 2] . Blijkens het proces-verbaal van 29 augustus 2023 is in deze procedure een schikking getroffen, in die zin dat de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. aan [partij B] zijn toegedeeld. Hiermee is [partij B] (indirect) eigenaar geworden van [kadastraal nummer 2] . Op [partij B] rustte de verplichting om uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 450.000 aan [partij A] te betalen. Onder 4 van het proces-verbaal is de volgende afspraak (hierna: de afspraak uit 2023) opgenomen:
“ [partij B] enerzijds als toekomstig, indirect eigenaar van 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V., op haar beurt eigenaar van [kadastraal nummer 2] , en [partij B] en [partij A] anderzijds, als gezamenlijk eigenaren van [kadastraal nummer 1] , zullen een hek plaatsen op de erfgrens tussen beide percelen. De kosten van de plaatsing zullen 50/50 tussen de perceeleigenaren worden gedeeld, hetgeen betekent dat [partij A] 25% van deze kosten voor zijn rekening neemt, [partij B] eveneens 25% en de overige 50% voor rekening komt van [bedrijfsnaam 1] B.V. Partijen aanvaarden met deze afspraak dat mogelijke bestaande rechten van wederzijds gebruik over en weer van de [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] eindigen.”
2.6.
Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de afspraak uit 2023. [partij A] is in februari 2024 een kort geding bij deze rechtbank aangespannen, waarin hij heeft gevorderd [partij B] te verbieden om nog langer gebruik te (laten) maken van [kadastraal nummer 1] door gebruik van het (elektronische) schuifhek op de erfgrens met [kadastraal nummer 2] (op locatie C). Bij vonnis van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter deze vordering afgewezen. Hiertoe is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“Gelet op het voorgaande is voldoende duidelijk geworden dat het schuifhek op locatie C niet kan worden afgesloten voordat afspraken zijn gemaakt met, althans toestemming is verkregen van de gemeente Roelofarendsveen over het gebruik van [kadastraal nummer 1] , en voordat in samenspraak met de uitbater van het tankstation een nieuwe uitrit op [kadastraal nummer 1] is gerealiseerd en voordat [kadastraal nummer 2] door middel van een hekwerk op de noordelijke erfgrens met [kadastraal nummer 1] (locatie B) is afgesloten. Bij die stand van zaken kan niet van [partij B] worden gevergd dat hij, voordat een en ander is gerealiseerd, het gebruik van [kadastraal nummer 1] staakt of [bedrijfsnaam 2] daartoe verplicht. De vorderingen van [partij A] worden daarom afgewezen.”
2.7.
[partij A] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is uiteindelijk ingetrokken. Partijen hebben nog geprobeerd om in mediation tot een oplossing te komen, maar dat heeft niet tot overeenstemming tussen partijen geleid.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling vast te stellen van [kadastraal nummer 1] , door toedeling aan [partij A] tegen betaling aan [partij B] van diens aandeel van de marktwaarde, kosten rechtens.
3.2.
[partij B] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[partij B] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de verdeling van [kadastraal nummer 1] vast te stellen, aldus dat dit perceel aan [partij B] wordt toegedeeld tegen een te betalen overbedelingsvergoeding (gelijk aan de helft van de marktwaarde van het perceel) aan [partij A] , onder voorbehoud van financiering voor de duur van zes maanden;
[partij A] te veroordelen aan de toedeling zijn medewerking te verlenen in de ruimste zin van het woord, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000 per dag(deel) dat hij hiermee in gebreke blijft, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis;
[partij A] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.5.
[partij A] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen van partijen hebben betrekking op de verdeling van [kadastraal nummer 1] . De vorderingen in conventie en in reconventie worden daarom gezamenlijk beoordeeld.
4.2.
Deze zaak gaat over de verdeling van het aan [partij A] en [partij B] in gemeenschappelijk eigendom toebehorende [kadastraal nummer 1] . Het naastgelegen [kadastraal nummer 2] behoorde eveneens indirect aan beide broers toe, maar is, na een procedure bij deze rechtbank in 2023, aan [partij B] toegedeeld, zodat hij daarvan nu indirect enig eigenaar is (zie r.o. 2.5.). [partij A] wenst dat [kadastraal nummer 1] aan hem wordt toegedeeld, omdat dit - zo heeft hij in de dagvaarding gesteld - een einde maakt aan het conflict dat tussen partijen is ontstaan bij de uitvoering van de afspraak uit 2023. Verder wordt met een toedeling van [kadastraal nummer 1] aan hem in zijn visie recht gedaan aan de wens van de overleden ouders van partijen om hun vier kinderen gelijk te behandelen. [partij B] wenst [kadastraal nummer 1] eveneens toegedeeld te krijgen, omdat alleen dan de problemen rond de uitvoering van de afspraak uit 2023 (kunnen) worden opgelost.
4.3.
Uit de stukken blijkt dat tussen partijen een conflict is ontstaan bij de uitleg en uitvoering van de afspraak uit 2023. In de afspraak uit 2023 is afgesproken dat een hek zal worden geplaatst op de erfgrens tussen de beide percelen en dat mogelijke bestaande rechten van wederzijds gebruik over en weer van de percelen 5595 en [kadastraal nummer 2] zullen eindigen. [partij A] stelt dat tussen partijen is afgesproken dat (alleen) de ontsluiting via de [straatnaam 2] zal eindigen, zodat het aldaar aanwezige hek bij locatie C moet worden afgesloten. Volgens [partij B] zien de gemaakte afspraken niet alleen op de sluiting van het hek bij locatie C, maar ook op het plaatsen van een hek bij locatie B (nadat een nieuwe uitrit zal zijn gerealiseerd ten behoeve van [kadastraal nummer 1] op locatie H) en daaraan werkt [partij A] juist niet mee. Uit het voorgaande vloeit voort dat partijen een andere lezing geven aan de afspraak uit 2023 en dat hierdoor al lange tijd onenigheid tussen partijen bestaat. [partij A] heeft ter zitting betoogd dat dit inmiddels niet meer het geval is en dat er feitelijk geen problemen bestaan in de praktische uitvoerbaarheid van de gemaakte afspraken (in die zin dat, in de visie van [partij A] , de bestaande situatie van het wederzijdse gebruik over en weer in stand zou moeten worden gelaten), maar de rechtbank is daarvan niet overtuigd geraakt. [partij A] heeft zelf in 2024 een kort geding procedure aangespannen tegen [partij B] waarin hij vorderde dat het [partij B] zou worden verboden om nog langer gebruik te maken van [kadastraal nummer 1] . Het enkele feit dat het hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is ingetrokken maakt niet dat daarmee het conflict ook opgelost is. Op de zitting is het de rechtbank ook duidelijk geworden dat, hoewel [partij A] dit anders ziet, partijen in conflict zijn over te nemen maatregelen en hun rol daarin. Het geschil tussen partijen over de uitvoering van de afspraak uit 2023 ligt hier echter niet ter beoordeling voor. Het gaat in deze procedure alleen om de verdeling van [kadastraal nummer 1] . Beide broers wensen toedeling van dit perceel. Hierover moet de rechtbank beslissen, waarbij zij naar billijkheid rekening moet houden met de belangen van beide partijen en het algemeen belang (artikel 3:185 BW Pro).
4.4.
Anders dan [partij A] stelt, ziet de rechtbank niet dat een toedeling van [kadastraal nummer 1] aan hem het huidige en inmiddels langlopende conflict over het wederzijdse gebruik van de percelen 5595 en [kadastraal nummer 2] zal oplossen. Volgens de rechtbank bestaat gelet op de gespannen verhoudingen juist het gevaar van toenemende conflicten als elk van de broers één van de naast elkaar geleden percelen in eigendom zouden hebben. [partij A] heeft immers zelf gesteld dat de broers inmiddels niet meer met elkaar (kunnen) communiceren. Om dit te voorkomen en het conflict op te lossen is het juist van belang dat ook [kadastraal nummer 1] aan [partij B] wordt toegedeeld, zodat beide percelen in één hand komen. Het is dan aan [partij B] om het beleid met betrekking tot het (eindigen van het) wederzijds gebruik van de percelen te bepalen en dit met de bestaande huurders (en de gemeente) te regelen. Hierdoor zal er tussen de broers rust ontstaan, hetgeen in het belang is van het welbevinden van beide partijen. [partij B] vreest anders voor escalatie met de huurders van beide percelen. [partij A] heeft op zijn beurt te kennen gegeven dat hij veel last heeft van de bestaande verdeeldheid en dat hij hiervoor ook al geruime tijd professionele bijstand heeft van een psycholoog.
4.5.
[partij A] heeft er nog op gewezen dat een toedeling van [kadastraal nummer 1] aan [partij B] in strijd zou zijn met de wens van de overleden ouders (althans moeder) van partijen, maar dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend zijn, gelet op het volgende. Dat het de wil of bedoeling van de ouders is geweest om elk van de kinderen een vergelijkbaar deel van het familievastgoed te geven, kan niet uit het als productie 7 door [partij A] overgelegde testament van de vader van partijen worden afgeleid en heeft [partij A] ook niet anders onderbouwd. Verder krijgt [partij A] bij toedeling van het perceel aan [partij B] de helft van de waarde van het perceel. Hiermee worden partijen gelijk behandeld. [partij A] heeft ook niet nader toegelicht dat hij een zodanig sterke affiniteit met het perceel van het tankstation heeft dat toedeling daarvan aan hem noodzakelijk is.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdeling van [kadastraal nummer 1] aldus vaststellen dat dit perceel aan [partij B] wordt toegedeeld. De rechtbank begrijpt dat het voor [partij A] een tegenslag is dat hij, na het uitvoeren van deze verdeling, als enige (van de in totaal vier kinderen) geen familiebezit in eigendom heeft, maar zij ziet geen andere oplossing om uit de thans bestaande conflictsituatie te komen. Wel hoopt de rechtbank dat [partij A] hiermee afscheid kan nemen van het door hem ervaren destructieve familiepatroon.
4.7.
Tussen partijen staat vast dat, bij een toedeling van het perceel aan één van partijen, van een waarde van het perceel van € 900.000 kan worden uitgegaan. Partijen zijn dit ter zitting overeengekomen en daaraan gehouden. [partij B] is dus gehouden om de helft van deze waarde, oftewel een bedrag van € 450.000, aan [partij A] te voldoen uit hoofde van overbedeling. Ter zitting heeft [partij B] te kennen gegeven dat hij ongeveer tien weken nodig heeft om de financiering rond te krijgen. Gelet hierop zal de rechtbank aan de toedeling de opschortende voorwaarde verbinden dat [partij B] binnen drie maanden na de datum van dit vonnis de daarvoor benodigde financiering verkrijgt. De rechtbank overweegt hierbij ten overvloede dat de kosten die samenhangen met de toedeling van [kadastraal nummer 1] aan [partij B] voor rekening van [partij B] komen.
4.8.
De hiervoor besproken noodzaak van beëindiging van de huidige conflictsituatie brengt de rechtbank tot de beslissing dat [kadastraal nummer 1] , in de situatie dat [partij B] de financiering niet rond krijgt, aan een derde moet worden verkocht en geleverd.
Mr. Keuchenius heeft ter zitting gemotiveerd aangevoerd dat de waarde in deze situatie door [partij B] kan worden beïnvloed door maatregelen te nemen op de grenzen van de percelen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat partijen er over en weer aan moeten meewerken dat een minimale laatprijs van € 900.000 (de getaxeerde waarde gebaseerd op de huidige feitelijke toestand) wordt bereikt, zodat [partij A] ook bij verkoop van het perceel aan een derde in ieder geval een bedrag van € 450.000 krijgt. Eventuele maatregelen van [partij B] of [partij A] mogen geen afbreuk doen aan deze waardering naar de feitelijke toestand, tenzij partijen anders afspreken.
4.9.
De rechtbank zal, zoals door [partij B] gevorderd, [partij A] veroordelen aan de toedeling van [kadastraal nummer 1] aan [partij B] dan wel de verkoop van [kadastraal nummer 1] aan een derde zijn medewerking te verlenen, en ziet aanleiding dit aan beide partijen op te leggen als een wederzijdse verplichting. Voor de eveneens door [partij B] gevorderde (maar niet nader toegelichte) vordering tot het opleggen van een dwangsom aan [partij A] ziet de rechtbank geen aanleiding, zodat dit deel van de vordering van [partij B] zal worden afgewezen.
4.10.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om dit vonnis, zoals ter zitting door [partij A] is verzocht, niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.11.
In de omstandigheid dat partijen broers van elkaar zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt de (wijze van) verdeling van het perceel gelegen aan de [adres 1] (kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] ) als volgt vast:
5.1.1.
[kadastraal nummer 1] wordt aan [partij B] toegedeeld, onder de verplichting van [partij B] om uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 450.000 aan [partij A] te betalen, onder de opschortende voorwaarde dat [partij B] binnen drie maanden na de datum van dit vonnis de daarvoor benodigde financiering verkrijgt;
5.1.2.
als [partij B] niet binnen de genoemde termijn de financiering voor de toedeling van [kadastraal nummer 1] aan hem rond krijgt, zal het perceel worden verkocht en geleverd aan een derde; partijen moeten er in deze situatie over en weer aan meewerken dat een minimale laatprijs van € 900.000 (de getaxeerde waarde gebaseerd op de huidige feitelijke toestand) wordt bereikt; partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de verkoopopbrengst (verminderd met de kosten die voor verkoop en levering zijn gemaakt);
5.2.
veroordeelt beide partijen hun medewerking te verlenen aan de toedeling van het perceel aan [partij B] dan wel de verkoop en levering van het perceel aan een derde, zulks in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen het passeren van de toedelings-/leveringsakte bij de notaris;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.