ECLI:NL:RBDHA:2026:18033

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 23/5158
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 7:15 AwbArt. 6 EVRMArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en aanmaningskosten gegrond verklaard

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM en de daarbij in rekening gebrachte aanmaningskosten van €18, die zij betwist vanwege het lopende bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Verweerder had de aanmaningskosten en betekeningskosten van het dwangbevel teruggebracht tot nihil, maar eiseres was hiervan niet op de hoogte gesteld.

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet in zijn bewijslast is geslaagd om aan te tonen dat de aanmaningskosten daadwerkelijk zijn verminderd tot nihil, waardoor het beroep gegrond wordt verklaard. Tevens is vastgesteld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden omdat eiseres gebruik heeft gemaakt van het recht gehoord te worden.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden, maar omdat het financieel belang minder dan €1.000 bedraagt, wordt volstaan met de constatering van de termijnoverschrijding zonder toekenning van immateriële schadevergoeding.

De rechtbank wijst een forfaitaire proceskostenvergoeding van €800 toe, verminderd met een wegingsfactor vanwege geringe complexiteit, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht van €50 plus wettelijke rente. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, aanmaningskosten worden vernietigd en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

Rechtbank Den haag

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/5158

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 22 september 2022 aan eiseres, vanwege het uitblijven van de betaling van een naheffingsaanslag bpm, een aanmaning verzonden en daarbij een bedrag van € 18 aanmaningskosten in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2023 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten aan eiseres vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak gedaan.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4].

Overwegingen

Feiten
1. De Inspecteur heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 25 juni 2021 een naheffingsaanslag belastingen personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 3.514. Daarbij is tevens € 23 aan belastingrente in rekening gebracht.
2. Op 15 juli 2022 doet de Inspecteur uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag bpm. Door deze uitspraak op bezwaar is, voor zover hiervan sprake was, het uitstel van betaling geëindigd.
3. Op 12 augustus 2022 heeft eiseres beroep ingediend tegen de hiervoor genoemde uitspraak op bezwaar.
4. Verweerder heeft eiseres met dagtekening 22 september 2022 een aanmaning gestuurd. De kosten hiervan bedragen € 18,00. Bij bezwaar van 27 september 2022 tegen de aanmaningskosten vraagt eiseres om uitstel van betaling.
5. Verweerder heeft met dagtekening 20 oktober 2022 een dwangbevel betekend en
€ 357 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
6. Bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. Daarbij merkt verweerder op dat op 13 september 2022 en 11 oktober 2022 de aanmaningskosten respectievelijk de betekeningskosten van het dwangbevel zijn teruggebracht tot nihil. Eiseres heeft daarvan per abuis geen bericht gekregen, aldus verweerder.
Geschil7. In geschil is of verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiseres en of er recht is op proceskostenvergoeding.
8. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
De hoorplicht in bezwaar is geschonden;
De aanmaning is onterecht opgelegd omdat er nog een procedure tegen de naheffingsaanslag loopt;
Eiseres heeft recht op een werkelijke proceskostenvergoeding.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de daarbij in rekening gebrachte aanmaningskosten. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de hoorplicht in de bezwaarfase (grief a)
11. Verweerder heeft (de gemachtigde) van eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op 10 maart 2023 heeft er een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres in de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het recht gehoord te worden, wat ertoe leidt dat de hoorplicht derhalve niet is geschonden. De grief faalt.
De aanmaningskosten (grief b)
12. Eiseres stelt dat de bodemprocedure tegen de naheffingsaanslag nog loopt en dat er daarom geen aanmaning kan worden opgelegd.
13 Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar van 23 juni 2023 gesteld dat de aanmaningskosten reeds zijn verminderd naar nihil. Dat zou volgens verweerder gebeurd zijn op 13 september 2022. Eiseres heeft hier echter per abuis nooit bericht van gekregen, zo erkent verweerder. Verweerder verwijst in het verweerschrift naar “bijlage 4” bij het verweerschrift.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder stelt dat de aanmaningskosten zijn teruggebracht tot nihil en heeft daarvoor verwezen naar bijlage 4 bij het verweerschrift. De rechtbank kan niet uit bijlage 4 van het verweerschrift afleiden dat de aanmaningskosten op 13 september 2022 inderdaad zijn teruggebracht naar nihil op 13 september 2022. Dat betekent dat verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd is door louter te stellen dat de aanmaningskosten zijn verminderd tot nihil. Het door verweerder beoogde schriftelijke bewijs is niet overtuigend. De rechtbank ziet daarom aanleiding deze beroepsgrond te laten slagen.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief c)
15. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen vergoeding voor de proceskosten heeft gegeven in de bezwaarfase. In artikel 7:15, tweede lid, Awb staat het volgende:
“De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”
16. De rechtbank concludeert dat eiseres in de bezwaarfase geen verzoek tot vergoeding van de proceskosten heeft gedaan bij verweerder. In zoverre faalt de grief. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat het Unierecht van rechtswege een toekenning van een vergoeding met zich brengt is de rechtbank van oordeel dat dit standpunt steun in het recht mist, in het bijzonder de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Conclusie17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
18. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiseres betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
20. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
21. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 20 april 2026 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet.
22. Nu het financieel belang in onderhavige procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).
Proceskosten en griffierecht
23. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten.
24. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die zij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.
25. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 800. Gezien de geringe complexiteit van deze zaak en wegens de gegrondverklaring louter op basis van een onhelder stuk komt de rechtbank tot een wegingsfactor van 0,25. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het verschijnen op het hoorgesprek in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25.
26. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 50 vergoeden. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiseres wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 800, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).