ECLI:NL:RBDHA:2026:18036

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 23/7138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 7:15 AwbArt. 6 EVRMArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen naheffingsaanslag BPM en weigering proceskostenvergoeding

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) opgelegd door de ontvanger van de Belastingdienst. Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag en tegen de in rekening gebrachte betekeningskosten, waarvan het bezwaar tegen de kosten gegrond werd verklaard en de kosten werden vernietigd.

Eiser verzocht om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat eiser geen verzoek tot proceskostenvergoeding had ingediend bij verweerder en dat ook vanuit het Unierecht geen recht op vergoeding bestond. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden, maar dat het financiële belang van de zaak minder dan € 1.000 bedroeg, waardoor geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Tevens werd het beroep tegen het niet horen van eiser verworpen, omdat volledig aan het bezwaar was tegemoetgekomen en andere belanghebbenden niet werden geschaad.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser, vanwege het uitblijven van de betaling van een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm), een aanmaning tot een bedrag van € 18 verzonden.
Verweerder heeft met dagtekening 16 februari 2023 een dwangbevel betekend. Daarbij is
€ 450 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
Eiser heeft op 11 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de betekeningskosten.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2023 heeft verweerder de betekeningskosten vernietigd en het bezwaar van eiser gegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4].

Overwegingen

Feiten
1. Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 17 september 2021 een naheffingsaanslag bpm opgelegd ter hoogte van
€ 4.625.
2. Eiser heeft bij bezwaar van 21 september 2021 uitstel van betaling aangevraagd. Het uitstel van betaling eindigde bij de uitspraak op bezwaar van 16 november 2022 inzake de naheffingsaanslag bpm.
3. Verweerder heeft eiser met dagtekening 20 januari 2023 een aanmaning gestuurd. De kosten hiervan bedragen € 18,00.
4. Verweerder heeft met dagtekening 16 februari 2023 een dwangbevel betekend en
€ 501 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
5. Eiser heeft op 1 december 2022 beroep ingesteld tegen de onder 2 genoemde uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag bpm. Daarbij heeft hij niet verzocht om uitstel van betaling.
6. Bij uitspraak op bezwaar van 16 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar tegen de onder 4 genoemde betekeningskosten gegrond verklaard en de betekeningskosten vernietigd.
Geschil7. In geschil is of verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser en of eiser recht heeft op een werkelijke proceskostenvergoeding.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de daarbij berekende betekeningskosten. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De gestelde schending van de hoorplicht in de bezwaarfase
10. Op grond van artikel 7:3, aanhef onder e, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen worden afgezien als volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Reeds uit de brief van verweerder van 28 september 2023 blijkt dat volledig aan het bezwaar was of zou worden tegemoetgekomen. Verweerder heeft dus terecht van het horen van eiser afgezien. In zoverre is het beroep dus ongegrond.
De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase
11. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen vergoeding voor de proceskosten heeft gegeven in de bezwaarfase. In artikel 7:15, tweede lid, Awb staat het volgende:
“De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”
12. De rechtbank concludeert dat eiser in de bezwaarfase geen verzoek tot vergoeding van de proceskosten heeft gedaan bij verweerder. In zoverre faalt de grief. Ook vanuit een Unierechtelijke invalshoek is er geen reden een proceskostenvergoeding toe te kennen. In het bijzonder de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie leiden niet tot dat oordeel.
13. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen reeds daarom niet kunnen worden vastgesteld. Van schending van het Unierecht is naar het oordeel van de rechtbank overigens geen sprake. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling verzoek om immateriële schadevergoeding
15. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
16. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan belanghebbende betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
17. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
18. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 20 april 2026 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet.
19. Nu het financieel belang in onderhavige procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).
20. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond
  • wijst het verzoek om vergoeding voor immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).