ECLI:NL:RBDHA:2026:18037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/6367
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag BPM en afwijzing vergoeding immateriële schade

Eiseres B.V. maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) en de daarbij in rekening gebrachte betekeningskosten. Verweerder handhaafde de aanslag en de kosten, waarbij het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding, maar ambtshalve toch inhoudelijk werd beoordeeld.

Eiseres stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht tevens om vergoeding van proceskosten, griffierecht en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van schending van Unierecht en dat de proceskosten niet konden worden vastgesteld vanwege een no-cure-no-pay-overeenkomst zonder facturen.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor belastinggeschillen was overschreden, maar omdat het financieel belang minder dan € 1.000 bedroeg en de termijnoverschrijding minder dan twaalf maanden was, werd volstaan met de constatering van de overschrijding zonder toekenning van immateriële schadevergoeding.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/6367

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres, vanwege het uitblijven van de betaling van een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm), een aanmaning verzonden ter hoogte van € 18.
Verweerder heeft met dagtekening 28 juli 2022 een dwangbevel betekend. Daarbij is € 173 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
Eiseres heeft op 18 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen de betekeningskosten.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2024 heeft verweerder de betekeningskosten in stand gelaten en het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2], [naam 3] , [naam 4] .

Overwegingen

Feiten
1. De Inspecteur heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 25 februari 2022 een naheffingsaanslag bpm opgelegd ter hoogte van € 1.473.
2. Eiseres heeft bij bezwaar tegen de naheffingsaanslag van 18 augustus 2022 uitstel van betaling aangevraagd. Het uitstel van betaling eindigde bij de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag bpm.
3. Verweerder heeft eiseres met dagtekening 1 juli 2022 een aanmaning gestuurd. De kosten hiervan bedragen € 18.
4. Verweerder heeft met dagtekening 28 juli 2022 een dwangbevel betekend en € 173 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
5. Bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2024 heeft verweerder het bezwaar tegen de onder 4 genoemde betekeningskosten ongegrond verklaard en de betekeningskosten in stand gelaten. Daarbij merkt verweerder op dat door termijnoverschrijding het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, maar dat verweerder het bezwaar toch ambtshalve beoordeeld heeft.
Geschil7. In geschil is of verweerder terecht geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft gegeven.
8. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
11. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen reeds daarom niet kunnen worden vastgesteld. Van schending van het Unierecht is naar het oordeel van de rechtbank overigens geen sprake. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
13. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
14. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiseres betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
15. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
16. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 20 april 2026 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet.
17. Nu het financieel belang in onderhavige procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).
18. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).