ECLI:NL:RBDHA:2026:1804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/697378 KG ZA 26-20
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:215 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van woning na beëindiging opvangovereenkomst wegens intimiderend gedrag

De Binnenvest en de gedaagde sloten een zorg- en opvangovereenkomst waarbij De Binnenvest begeleiding en woonruimte aan de gedaagde bood. Na het sluiten van een (onder)huurovereenkomst ontstond een huurachterstand, waarna De Binnenvest de opvangindicatie opnieuw activeerde en de huurovereenkomst beëindigde. De gedaagde stelde zich niet begeleidbaar op, kwam afspraken niet na, hield zich niet aan huisregels en intimideerde begeleiders.

De Binnenvest zegde de opvangovereenkomst op wegens deze gedragingen en vorderde ontruiming van de woning. De gedaagde betwistte het voortbestaan van de opvangovereenkomst en de opzegging, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de opvangovereenkomst per oktober 2024 werd voortgezet en terecht is opgezegd per 29 september 2025.

De rechtbank vond dat het zorgelement in de overeenkomst overheerst, waardoor geen huurbescherming geldt. Gezien de ernstige gedragingen van de gedaagde en de veiligheid van begeleiders, woog het belang van De Binnenvest zwaarder. De gedaagde werd veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van proceskosten. Een dwangsom werd niet opgelegd vanwege de onwaarschijnlijkheid van verhaal op vermogen.

Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening wegens beëindiging van de opvangovereenkomst.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697378 KG ZA 26-20
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
STICHTING DE BINNENVESTte Leiden,
eiseres,
advocaat mrs. R. Raddahi en C.M. Roozemond,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J. Sprakel.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘De Binnenvest’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 januari 2026 met producties 1 tot en met 23;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;
- de door De Binnenvest overgelegde pleitnotitie.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 21 januari 2026. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Binnenvest en [gedaagde] hebben op 15 november 2023 een zorgovereenkomst gesloten op grond waarvan De Binnenvest [gedaagde] begeleiding biedt bij het zelfstandig wonen. De zorgovereenkomst bepaalt verder, voor zover van belang:
4.3 Beschikbaarstelling van woonruimte
De zorgovereenkomst omvat, indien nodig, opvang of verblijf van de Cliënt(en) in woonruimte beschikbaar gesteld door Stichting De Binnenvest. Aan opvang of verblijf in woonruimte beschikbaar gesteld door Stichting De Binnenvest is altijd […] een begeleidingstraject gekoppeld en zijn Huis- en Gedragsregels van toepassing.
4.4
Rechten en Plichten
De Cliënt heeft de inspanningsplicht om medewerking te verlenen aan de krachteninventarisatie, uitvoering te geven aan het actieplan en medewerking te verlenen aan de aanvraag van diverse financieringsbronnen voor de hulp- en dienstverlening. Het niet naleven van deze inspanningsplicht door de Cliënt geeft De Binnenvest het recht de overeenkomst te beëindigen. Indien aan de Cliënt opvang wordt geboden of woonruimte ter beschikking is gesteld zijn de Huis- en Gedragsregels van De Binnenvest van toepassing. Het niet naleven van de Huis- en Gedragsregels door de Cliënt geeft de Binnenvest het recht niet langer opvang te bieden of woonruimte beschikbaar te stellen en/of de overeenkomst te beëindigen.”
2.2.
Daarnaast hebben De Binnenvest en [gedaagde] op 7 december 2023 een opvangovereenkomst gesloten op grond waarvan De Binnenvest per 15 november 2023 de woning aan de [adres 1] aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. De opvangovereenkomst bepaalt, voor zover van belang:
“2.4 Cliënt dient zich te allen tijde begeleidbaar op te stellen. Dit betekent dat cliënt telefonisch bereikbaar is, afspraken nakomt of tijdig afbelt, samenwerkt aan de afspraken welke in het zorgplan staan en volledige openheid van zaken geeft, zoals over zijn financiën en post. Indien de cliënt zich niet begeleidbaar opstelt, heeft De Binnenvest het recht de opvangovereenkomst te beëindige[n].
2.5
Op het moment dat een cliënt niet langer voldoet aan de criteria, zoals die door De Binnenvest worden gesteld, dan wel de huisregels en/of zorgovereenkomst naar het oordeel van De Binnenvest niet naar behoren naleeft, eindigt de opvang met onmiddellijke ingang en zal cliënt de volledige medewerking verlenen aan het vertrek uit de opvanglocatie.
2.6
Cliënt kan aan het tijdelijke verblijf geen enkel woonrecht of verblijfsrecht ontlenen.”
2.3.
De Binnenvest en [gedaagde] hebben per 1 mei 2024 een (onder)huurovereenkomst gesloten voor dezelfde woning. De huurovereenkomst bepaalt onder meer dat de woning bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte dienstig aan de zorgovereenkomst en dat [gedaagde] begeleiding moet accepteren. De maandelijkse huurprijs inclusief servicekosten bedroeg € 511,10.
2.4.
[gedaagde] heeft vanaf de ingangsdatum van de huurovereenkomst geen huurtermijnen aan De Binnenvest voldaan, zodat in september 2024 een huurachterstand van € 2.555,50 is ontstaan.
2.5.
Op 30 september 2024 heeft De Binnenvest [gedaagde] een brief gestuurd waarin zij hem mededeelt dat de opvangindicatie van [gedaagde] opnieuw wordt geactiveerd. De Binnenvest schrijft verder dat [gedaagde] geen huur meer hoeft te betalen omdat de woonlasten vanuit de zorg zullen worden bekostigd. Tegelijkertijd zal de uitkering van [gedaagde] naar beneden worden bijgesteld en zal een eventuele huurtoeslag komen te vervallen. De Binnenvest heeft er verder bij [gedaagde] op aangedrongen om akkoord te gaan met bewindvoering.
2.6.
Per brief van 9 oktober 2024 heeft De Binnenvest [gedaagde] nogmaals verzocht om akkoord te gaan met bewindvoering, omdat [gedaagde] anders niet kan doorstromen naar een eigen woning. Daarnaast heeft De Binnenvest de huurachterstand kwijtgescholden en is aangegeven dat de beslissing om de opvangindicatie opnieuw te activeren niet onderhandelbaar is.
2.7.
Per brief van 25 oktober 2024 heeft De Binnenvest er nogmaals op aangedrongen om bewindvoering te accepteren, omdat De Binnenvest anders genoodzaakt is om zijn verblijf op de opvanglocatie te beëindigen. Daarnaast is [gedaagde] verzocht om zijn begeleiders van De Binnenvest niet meer uit te schelden. Indien hij zich hier niet aan houdt, zal De Binnenvest de overeenkomsten ook beëindigen. Kort daarna heeft [gedaagde] nogmaals medewerkers van De Binnenvest uitgescholden en bedreigd. De Binnenvest heeft daarom, en omdat [gedaagde] zich volgens De Binnenvest niet begeleidbaar opstelt, per brief van 5 november 2024 aangegeven dat de opvangovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de woning uiterlijk op 19 november 2024 moet ontruimen.
2.8.
Op 21 oktober 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] De Binnenvest verzocht om met elkaar in gesprek te treden. De Binnenvest heeft daarmee ingestemd, onder de voorwaarden dat [gedaagde] bewindvoering accepteert en voortaan respectvol is richting medewerkers van De Binnenvest.
2.9.
Op 7 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij partijen en de advocaat van [gedaagde] aanwezig waren. Per e-mail van 13 maart 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] De Binnenvest bericht dat hij geen bewindvoerder wil, maar wel openstaat voor een budgetcoach. Indien dat onvoldoende resultaat biedt, zal [gedaagde] bewindvoering accepteren. De Binnenvest heeft hiermee ingestemd.
2.10.
Op 25 april 2025 heeft [gedaagde] gedreigd met fysiek geweld richting zijn buurman.
2.11.
Op 26 juni 2025 heeft [gedaagde] per WhatsApp diverse verwijten richting zijn begeleider geuit en gedreigd met het beëindigen van zijn leven. De Binnenvest heeft vervolgens de politie ingeschakeld om poolshoogte te nemen. Later die dag heeft [gedaagde] een spraakbericht naar een andere begeleider van De Binnenvest gestuurd. [gedaagde] zegt daarin onder meer: “
Ga alsjeblieft achterom kijken, want ik rijd je nou hartstikke dood als ik je godverdomme tegenkom.”
2.12.
Begin juli 2025 is [gedaagde] verhuisd naar de woning op het adres [adres 2] .
2.13.
In de rapportage van De Binnenvest over [gedaagde] en een incidentenformulier van De Binnenvest is vermeld dat [gedaagde] op 14 juli 2025 luid tegen zijn begeleider heeft geschreeuwd in verband met een laagje stof in de woning. Twee dagen later discussieert [gedaagde] nogmaals met zijn begeleider over dit voorval. Daarbij schrijft [gedaagde]
“Ik zal jou vrijdag zelf met je neus door het stof halen waar ik schimmel van gemaakt heb volgens jou!!!!”.
2.14.
In de rapportage over [gedaagde] is op 17 juli 2025 door zijn begeleiders het volgende gerapporteerd:
“Eigenlijk gedurende de hele week hebben wij verwijten, dreigementen en beschuldigingen onze kant op gekregen. Maar bovenal voelen wij ons niet veilig om hem in [plaats 1] te bezoeken, zeker niet gezien zijn recente bedreiging richting mij. In de teamvergadering geven andere collega's aan het lastig te vinden om naar hun cliënten in [plaats 1] te gaan door de aanwezigheid van [gedaagde] .
[…]
Cliënt is momenteel dreigend naar de begeleiding, wat maakt dat wij hebben besloten even niet bij hem langs te gaan.”
2.15.
Op 18 juli 2025 heeft De Binnenvest een brief aan [gedaagde] gestuurd met het onderwerp ‘Huidige situatie verblijf en formele waarschuwing bedreigingen’. De brief vermeldt onder andere:
“Daarnaast informeren wij u over de aangifte die we doen van uw bedreigingen richting begeleiders en beheerders toe. Naast de verbale bedreigingen zullen ook de bedreigingen op bijvoorbeeld whatsapp gedeeld worden met de politie.
Wij vragen u met klem om te stoppen met uw bedreigingen. U bent daarmee in overtreding van de afspraken die we met u hebben als zorgpartij en maakt het voor onze medewerkers onveilig om u te begeleiden. Wij gaan uit van verbetering van uw gedrag.”
2.16.
Op 11 september 2025 heeft de hond van [gedaagde] een omwonende in zijn shirt gebeten. [gedaagde] heeft direct zijn excuses aangeboden. Later die dag heeft [gedaagde] een van zijn begeleiders opgewacht bij het gemeentehuis terwijl zij geen afspraak hadden. In een incidentenformulier van De Binnenvest is onder meer het volgende opgenomen:
“Ik vroeg of hij de c-woning stukken nog gaat ondertekenen. Hij begon te schreeuwen en zei dat hij niets gaat ondertekenen. Toen ik vroeg of hij niet wil uitstromen, zei hij dat ik maar met zijn advocaat moet praten. Op dat moment heb ik het gesprek beëindigd en liep ik weg. Zijn houding was druk en dreigend. Later hoorde ik dat de beveiliging van het gemeentehuis al klaarstond om in te grijpen. Ik vond het erg onprettig en ben na de afspraak met B met een onveilig gevoel naar mijn auto gelopen. Ik vind het een intimiderende actie vanuit zowel B als [gedaagde] .”
2.17.
Op 29 september 2025 heeft De Binnenvest een brief naar [gedaagde] gestuurd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Op dit moment zien we dat het in het kader van veiligheid niet goed gaat en dat daar ook geen verandering in komt. Wij zetten daarom de zorg over naar de intramurale voorziening.
[…]
Het afgelopen jaar hebben wij getracht om met u te kijken naar uitstroom naar een contingentwoning. Dit is gezien de situatie die u veroorzaakt ongewenst. We zien problemen in de omgeving in het kader van veiligheid en kunnen daarmee niet meer door op dit spoor. De ambulante begeleiding voelt zich onveilig om u te bezoeken vanwege de bedreigingen en ook het gedrag van uw tweede hond naar anderen maakt dat het niet veilig is.
Wij hebben aangifte gedaan van de doodsbedreiging en maken melding bij de politie van alle zaken die de veiligheid van medewerkers en omgeving raken.
Wat betekent de zorgoverzetting voor u:
[regionale opvang]
Bij De Binnenvest bestaat de overtuiging dat het in uw belang is dat de begeleiding van De Binnenvest wordt voortgezet in de regionale opvang [regionale opvang] . Hier is 24/7 toezicht aanwezig die kan bijdragen aan de veiligheid voor uzelf en van uw omgeving als ook verbetering van uw gedrag. Wij bieden u gezien de onveilige situatie aan de [straatnaam] maximaal twee weken de tijd om uw spullen in te pakken en op te slaan. Kleding mag mee naar de [regionale opvang] . U kunt zich op dinsdag 14 oktober 2025, of eerder als u minder tijd nodig heeft om uw spullen uit de lokale opvangwoning te verwijderen, melden op de [regionale opvang] in [plaats 2] .”
2.18.
Op 30 september 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] per brief aangegeven dat [gedaagde] de woning niet zal ontruimen. Daarnaast is om een bespreking verzocht.
2.19.
In december 2025 is De Binnenvest een procedure bij de kantonrechter gestart. Tijdens de zitting op 6 januari 2026 heeft de kantonrechter aangekondigd zich onbevoegd te zullen verklaren, waarna De Binnenvest haar vorderingen ter zitting heeft ingetrokken.

3.Het geschil

3.1.
De Binnenvest vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om de woning binnen 5 dagen te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat hij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000;
II. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
De Binnenvest legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat De Binnenvest de opvangovereenkomst heeft opgezegd omdat [gedaagde] zich niet begeleidbaar heeft opgesteld, zich niet aan de Huis- en gedragsregels houdt en zijn begeleiders heeft geïntimideerd, uitgescholden en bedreigd. [gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de woning en moet daarom overgaan tot ontruiming. Een dwangsom is noodzakelijk omdat tussen de dag van het vonnis en een gedwongen ontruiming soms drie tot vier weken zitten vanwege logistieke redenen. Een prikkel om de woning na betekening vrijwillig te verlaten is daarom nodig.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van De Binnenvest in de proceskosten. Het verweer van [gedaagde] wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
In deze zaak vordert De Binnenvest ontruiming van de woning. Gelet op het standpunt dat [gedaagde] in de woning verblijft terwijl De Binnenvest de opvangovereenkomst heeft opgezegd, is het spoedeisend belang bij de vordering gegeven.
De opvangovereenkomst is door partijen voortgezet
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat partijen aanvankelijk een opvangovereenkomst hebben gesloten en daarna een (onder)huurovereenkomst. Daarentegen bestaat wel discussie over de vraag of [gedaagde] per oktober 2024 op basis van de opvangovereenkomst gebruikmaakt van de woning. De Binnenvest stelt dat partijen na het beëindigen van de huurovereenkomst zijn teruggevallen op de aanvankelijk gesloten opvangovereenkomst. [gedaagde] heeft niet betwist dat de huurovereenkomst is geëindigd, maar betwist wel dat partijen de opvangovereenkomst hebben voortgezet. Volgens [gedaagde] wordt hij opgevangen onder zijn Wmo-indicatie zonder opvangovereenkomst. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] daarin niet.
4.3.
Op 30 september 2024, nadat een forse huurachterstand is ontstaan, heeft De Binnenvest [gedaagde] bericht dat hij geen huur meer hoeft te betalen en dat zijn huurtoeslag zal komen te vervallen. Daarbij heeft De Binnenvest aangegeven dat zijn opvangindicatie opnieuw wordt geactiveerd. [gedaagde] heeft daaruit redelijkerwijs moeten opmaken dat hij het gebruik van de woning heeft voortgezet op basis van de opvangovereenkomst. [gedaagde] heeft daar (stilzwijgend) mee ingestemd. De Binnenvest schrijft immers dat de opvang
opnieuwwordt geactiveerd en partijen hebben daarna in lijn met (de bepalingen uit) de opvangovereenkomst gehandeld. Per brief van 5 november 2024 is de opvangovereenkomst voor het eerst beëindigd door De Binnenvest. De advocaat van [gedaagde] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de aangezegde ontruiming en heeft om een gesprek verzocht, maar heeft niet geageerd tegen het (voort)bestaan van de opvangovereenkomst. De voorzieningenrechter acht het daarom voldoende aannemelijk dat partijen de opvangovereenkomst per oktober 2024 hebben voortgezet.
Het zorgelement overheerst in de verhouding tussen De Binnenvest en [gedaagde]
4.4.
Als uitgangspunt wordt genomen dat de tussen partijen gesloten zorgovereenkomst en opvangovereenkomst een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) vormen. Daarbij overheerst het zorgelement. De overeenkomsten moeten dan ook als een geheel van samenhangende verbintenissen worden gezien. Omdat het zorgelement overheerst, brengt dat mee dat aan [gedaagde] geen huurbescherming toekomt.
De opvangovereenkomst is opgezegd; [gedaagde] moet de woning ontruimen
4.5.
De Binnenvest stelt dat [gedaagde] zich niet begeleidbaar heeft opgesteld. Volgens De Binnenvest is [gedaagde] ten minste zesmaal niet verschenen op afspraken met zijn begeleiders en komt hij telefonische afspraken niet altijd na. Daarnaast heeft [gedaagde] zich niet aan de huis- en gedragsregels gehouden en heeft hij zijn begeleiders geïntimideerd, uitgescholden en met de dood bedreigd. De Binnenvest stelt dat zij de opvangovereenkomst daarom met de brief van 29 september 2024 op grond van artikel 2.4 en 2.5 van de opvangovereenkomst en artikel 4.4 van de zorgovereenkomst heeft opgezegd per 14 oktober 2025.
4.6.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij diverse (bel)afspraken met zijn begeleiders niet is nagekomen. Daarentegen betwist [gedaagde] wel dat de opvangovereenkomst is opgezegd en betwist [gedaagde] – op één incident na – dat de door De Binnenvest geschetste voorvallen zich hebben voorgedaan.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de opvangovereenkomst per brief van 29 september 2025 opgezegd door De Binnenvest. Hoewel het woord ‘opzegging’ niet expliciet in de brief is genoemd, heeft De Binnenvest duidelijk gemaakt dat de opvang in zijn huidige woning eindigt en dat [gedaagde] wordt overgezet naar de regionale opvang [regionale opvang] . Daarbij heeft De Binnenvest [gedaagde] twee weken de tijd gegeven om de woning te ontruimen. Dat [gedaagde] de brief van 29 september 2025 ook als een opzegging heeft opgevat, volgt uit de brief van zijn advocaat van 30 september 2025.
4.8.
De Binnenvest was gerechtigd om de opvangovereenkomst op grond van artikel 2.4 en 2.5 van de opvangovereenkomst op te zeggen. Daarbij acht de voorzieningenrechter het relevant dat het niet de eerste keer is dat [gedaagde] zich dreigend en intimiderend heeft uitgelaten tegen zijn begeleiders. Een jaar eerder, op 25 oktober 2024, heeft De Binnenvest [gedaagde] immers ook een waarschuwing gegeven vanwege het intimideren en bedreigen van zijn begeleiders. Toen dat niet tot een gedragsverandering leidde, heeft De Binnenvest de opvangovereenkomst ook opgezegd. Tussen partijen heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden waarna [gedaagde] een tweede kans heeft gekregen. Voor [gedaagde] moet daarom duidelijk zijn geweest dat dergelijk gedrag niet toelaatbaar is en tot beëindiging van de opvangovereenkomst zal kunnen leiden. Hoewel er vervolgens enkele maanden geen incidenten hebben plaatsgevonden, volgt uit de rapportages van De Binnenvest voldoende dat [gedaagde] zijn begeleiders wederom heeft geïntimideerd, uitgescholden en bedreigd. De voorzieningenrechter heeft geen reden om, zoals [gedaagde] betoogt, de inhoud van de rapportages in twijfel te trekken. Dat geldt temeer omdat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat zijn begeleiders bang voor hem zijn.
4.9.
Op 18 juli 2025 heeft [gedaagde] weer een formele waarschuwing van De Binnenvest ontvangen. Volgens [gedaagde] blijkt uit de brief van 18 juli 2025 onvoldoende dat hij een waarschuwing krijgt en was voor hem niet duidelijk wat de eventuele consequenties zouden zijn indien hij zijn gedrag niet zou veranderen. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] daarin niet, mede gelet op het onderwerp van de brief en de eerdere beëindiging van de opvangovereenkomst nadat [gedaagde] eerst een waarschuwing had ontvangen. Vervolgens heeft [gedaagde] zich op 11 september 2025 nogmaals dreigend en op intimiderende wijze uitgelaten tegen zijn begeleider.
4.10.
Nu voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit hoofde van de opvangovereenkomst en zorgovereenkomst niet nakomt door onvoldoende mee te werken aan het begeleidingstraject en zijn begeleiders te intimideren, heeft De Binnenvest de opvangovereenkomst per brief van 29 september 2025 op terechte gronden opgezegd. [gedaagde] verblijft als gevolg daarvan zonder recht of titel in de woning en is daarom verplicht de woning te ontruimen.
4.11.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Van De Binnenvest kan niet worden verlangd om deze woonruimte aan [gedaagde] aan te blijven bieden terwijl hij zich niet begeleidbaar opstelt en intimiderend gedrag vertoont, terwijl De Binnenvest die woonruimte kan inzetten voor een andere hulpbehoevende die wel openstaat voor begeleiding. Daar komt bij dat [gedaagde] niet op straat komt te staan maar zal worden opgevangen in de regionale opvanglocatie De [regionale opvang] in [plaats 2] .
4.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat het belang van De Binnenvest bij ontruiming van de woonruimte door [gedaagde] zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de woonruimte. De gevorderde ontruiming wordt dan ook toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na de betekening van dit vonnis.
4.13.
Omdat duidelijk is dat een dwangsom in het geval van [gedaagde] niet een reële prikkel tot nakoming zal vormen (verhaal op enig vermogen van [gedaagde] zal De Binnenvest, naar moet worden aangenomen, niet kunnen nemen), zal oplegging daarvan achterwege blijven.
Proceskosten
4.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Binnenvest worden begroot op:
- dagvaarding € 153,77
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 715
- nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.781,77
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres 2] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen en zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van De Binnenvest zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van De Binnenvest te stellen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van De Binnenvest, begroot op € 1.781,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
3556