ECLI:NL:RBDHA:2026:18043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.25640
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende zicht op uitzetting

Verweerder is sinds 18 februari 2026 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetst het voortduren van deze maatregel over de periode van 29 april tot 13 mei 2026, na eerdere rechtmatigheidsbeoordelingen.

Eiser betoogt dat er geen reëel zicht is op uitzetting omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat de lp-aanvraag nog in behandeling is en dat verweerder voldoende inspanningen heeft verricht, waaronder vertrekgesprekken en rappelleren bij autoriteiten.

Daarnaast stelt eiser dat verweerder geen verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en dat een lichter middel mogelijk is vanwege zijn psychische problematiek. De rechtbank acht deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend en bevestigt dat een lichter middel niet aan de orde is.

De rechtbank voert tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen strijd met non-refoulement of gezinsleven is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25640

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft op 6 mei 2026 de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 mei 2026.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 mei 2026 (in de zaak NL26.22854) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 29 april 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 29 april 2026 tot 13 mei 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat (reëel) zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daartoe voert hij aan dat de Marokkaanse autoriteiten tot op heden niet op de sinds 18 februari 2026 lopende aanvraag om een laissez-passer (lp) hebben gereageerd. Ook heeft verweerder nog geen vlucht voor eiser aangevraagd. Concrete aanknopingspunten dat eiser op korte termijn uitgezet kan worden ontbreken daarom, terwijl niet gesteld kan worden dat eiser de uitzetting actief frustreert. Eiser heeft immers verklaard dat hij zal terugkeren indien een lp wordt afgegeven.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser deze grond eerder heeft aangevoerd, namelijk in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 3 maart 2026 (met zaaknummer NL26.9176) en 6 mei 2026 (met zaaknummer NL26.22854). De rechtbank verwijst voor de beoordeling van deze grond dan ook allereerst naar respectievelijk de rechtsoverwegingen 5. en 6. van deze uitspraken, waarin de rechtbank op het zicht op uitzetting naar Marokko is ingegaan. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken waardoor zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid nu wel zou ontbreken. Het enkele tijdsverloop sinds de sluiting van het vorige onderzoek op 29 april 2026 is onvoldoende. Als het gaat om zicht op uitzetting in eisers specifieke geval, overweegt de rechtbank dat uit verweerders voortgangsrapport blijkt dat de lp-aanvraag van 18 februari 2026 nog altijd in behandeling is bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die tot de conclusie leiden dat voor hem niet binnen een redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. Dat de Marokkaanse autoriteiten (nog) niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, is daarvoor onvoldoende. De verstreken tijd sinds het indienen van de huidige lp-aanvraag is te kort om te oordelen dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Dat verweerder voor eiser (nog) geen vlucht heeft aangevraagd, maakt het voorgaande ook niet anders. Verweerder wacht in de regel eerst een positieve reactie op de lp-aanvraag af alvorens hij overgaat tot het boeken van een vlucht. Verweerder moet nog tijd worden gegund om een reactie van de Marokkaanse autoriteiten af te wachten. Het gestelde niet frustreren door eiser leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert hij aan dat de lp-aanvraag reeds op 18 februari 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten is ingediend, maar verweerder sindsdien enkel schriftelijk heeft gerappelleerd ten aanzien van deze lp-aanvraag. Niet is gebleken dat verweerder anderszins concrete en relevante uitzettingshandelingen heeft verricht. Verder heeft verweerder op 10 februari 2026 een aanvullend identiteitsonderzoek uitgezet bij de Spaanse autoriteiten en daarop enkel op 18 maart 2026 gerappelleerd.
6. Uit de voortgangsrapportage van 6 mei 2026 blijkt dat verweerder op 15 april 2026 voor het laatst een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op 23 april 2026 voor het laatst heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Daarnaast loopt sinds 10 februari 2026 een onderzoek bij de Spaanse autoriteiten, in welk kader verweerder op 18 maart 2026 heeft gerappelleerd. Deze handelingen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank voldoende voor de conclusie dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De omstandigheid dat verweerder na 18 maart 2026 niet meer heeft gerappelleerd over het aanvullende identiteitsonderzoek bij de Spaanse autoriteiten, is op zichzelf bezien onvoldoende voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging/lichter middel
7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een kenbare en concrete (verzwaarde) belangenafweging te maken. Eiser gebruikt, zoals blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 15 april 2026, medicatie en verblijft in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht. Van belang is ook de duur van de vreemdelingenbewaring en de omstandigheid dat concreet perspectief op uitzetting ontbreekt. Tegen deze achtergrond dient het voortduren van de vreemdelingenbewaring in het kader van de proportionaliteitstoets ook steeds kritischer te worden beoordeeld.
8. Eiser verblijft thans bijna vijf maanden in bewaring. De rechtbank betrekt daarbij de perioden van bewaring op grond van twee voorgaande maatregelen van bewaring, opgelegd op 18 december 2025 en 24 december 2025. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken. De psychische problematiek van eiser en zijn medicatiegebruik zijn daarvoor van onvoldoende gewicht. Verweerder heeft in dit stadium van de bewaring ook nog geen verzwaarde belangenafweging hoeven maken.
9. Voor zover eiser zich tevens beroept op een lichter middel, overweegt de rechtbank dat in de uitspraak van 3 maart 2026 reeds is geoordeeld dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kan worden volstaan. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 8. van die uitspraak. In die overweging is eisers psychische problematiek betrokken, alsook het verblijf van eiser in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie in Veldzicht. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van 6 mei 2026, waarin de rechtbank op het vervolgberoep van eiser heeft besloten en heeft geoordeeld dat een lichter middel nog altijd niet aan de orde was. De rechtbank ziet in wat eiser in het onderhavige vervolgberoep aanvoert geen reden om nu wel een lichter middel op te leggen. De reden daarvoor is dat niet is gebleken van een relevante wijziging in de persoonlijke omstandigheden van eiser, terwijl het onttrekkingsrisico nog onverkort aanwezig is.
10. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.