ECLI:NL:RBDHA:2026:18043
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende zicht op uitzetting
Verweerder is sinds 18 februari 2026 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetst het voortduren van deze maatregel over de periode van 29 april tot 13 mei 2026, na eerdere rechtmatigheidsbeoordelingen.
Eiser betoogt dat er geen reëel zicht is op uitzetting omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat de lp-aanvraag nog in behandeling is en dat verweerder voldoende inspanningen heeft verricht, waaronder vertrekgesprekken en rappelleren bij autoriteiten.
Daarnaast stelt eiser dat verweerder geen verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en dat een lichter middel mogelijk is vanwege zijn psychische problematiek. De rechtbank acht deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend en bevestigt dat een lichter middel niet aan de orde is.
De rechtbank voert tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen strijd met non-refoulement of gezinsleven is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.