ECLI:NL:RBDHA:2026:18052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/2884
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen opschorting bijstandsuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de opschorting van zijn bijstandsuitkering per 16 maart 2026 door het college van burgemeester en wethouders van Gouda. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de opschorting te schorsen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 21 mei 2026 en oordeelde dat een spoedeisend belang ontbrak. Verzoeker verkeerde niet in een acute financiële noodsituatie, mede omdat hij recentelijk in het buitenland verbleef en er geen onomkeerbare situatie dreigde. Daarnaast was er een lopend onderzoek naar zijn financiële situatie vanwege twijfels over inkomsten.

Omdat geen spoedeisend belang bestond, kon alleen bij evident onrechtmatigheid van het besluit een voorlopige voorziening worden getroffen. De voorzieningenrechter vond dat de opschorting niet evident onrechtmatig was, omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie had verstrekt en de verstrekte informatie vragen opriep. Inmiddels was ook een besluit tot intrekking van de uitkering genomen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en kwam daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de opschorting van de bijstandsuitkering is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2884

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de opschorting van de bijstandsuitkering van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 maart 2026 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker per 16 maart 2026 opgeschort. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoeker kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor hem onevenredig bezwaarlijk maakt dat hij de beslissing op bezwaar af moet wachten. Pas als sprake is van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Gelet op hetgeen uit de stukken blijkt en ter zitting is besproken is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken van een acute financiële noodsituatie. Daarbij is van belang dat verzoeker van 1 december 2025 tot 10 maart 2026 in het buitenland heeft verbleven, naar eigen zeggen onder meer voor zakelijke doeleinden. Verweerder doet onderzoek naar de financiële situatie van verzoeker omdat er twijfels zijn over eventuele inkomsten. Op de door verzoeker overgelegde bankrekeningen zijn bijschrijvingen en stortingen te zien. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij op 6 juni 2026 naar [land] gaat voor een optreden en voor jurytaken, dat de vlucht en hotel zijn betaald door de organisator/het evenementenbureau dat hem heeft geboekt. Hij heeft verklaard wel een zakcentje mee te moeten nemen voor avondeten en persoonlijke uitgaven.
Ut niets blijkt dat een onomkeerbare situatie dreigt en dat eiser in acute financiële noodsituatie verkeert. Van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen sprake.
5. Nu er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand blijft. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken. De bijstandsuitkering is opgeschort omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie heeft aangeleverd en de wel aangeleverde informatie nadere vragen omtrent de financiële situatie opwierpen. Gelet hierop is er geen sprake van een situatie dat gesteld dient te worden dat de opschorting evident onrechtmatig is. Overigens ligt er inmiddels ook een besluit tot intrekking van de uitkering per de opschortingsdatum.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter komt daardoor niet toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
- de griffier is verhinderd
om te tekenen -
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.