ECLI:NL:RBDHA:2026:18054
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging schuldhulpverleningstraject niet-ontvankelijk verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 6 juli 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gouda om zijn schuldhulpverleningstraject te beëindigen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het griffierecht van €54,- niet tijdig was betaald. Verzoeker had geen verontschuldiging gegeven voor het niet tijdig betalen, en zijn beroep op betalingsonmacht werd niet aannemelijk geacht. Daarbij speelde mee dat verzoeker recentelijk voor zijn bedrijf in het buitenland verbleef, wat vragen opriep over zijn financiële situatie.
Verder stelde de voorzieningenrechter vast dat verzoeker niet had aangegeven welk spoedeisend belang er was om de voorlopige voorziening te vragen, waardoor het wachten op de uitkomst van de bezwaarprocedure mogelijk was.
De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het ontbreken van een verontschuldiging.