ECLI:NL:RBDHA:2026:18055

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 25 maart 2026. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 25 maart tot 18 mei 2026.

Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting was omdat de Indiase autoriteiten geen laissez-passer verstrekten, ondanks zijn medewerking aan een presentatie bij het Indiase consulaat. De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop sinds de aanvraag te kort was om te concluderen dat zicht op uitzetting ontbreekt en dat eiser niet altijd meewerkte, wat vertraging kan veroorzaken.

Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, maar de rechtbank vond de voortgangsrapportage en de uitgevoerde vertrekgesprekken voldoende bewijs van voortvarendheid. Ook de belangenafweging viel niet in het voordeel van eiser uit, mede gezien zijn eerdere weigering tot medewerking.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen strijd met het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26472

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 18 mei 2026.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 maart 2026 (in de zaak NL26.15194) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 25 maart 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 25 maart 2026 tot 18 mei 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Volgens eiser is hierbij van belang dat hij meewerkt aan zijn uitzetting. Hij heeft namelijk meegewerkt aan de presentatie op 22 april 2026 bij het Indiase consulaat. De Indiase consul heeft toen enkel meegedeeld dat de aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp) in onderzoek zal worden genomen, maar heeft verder niets meegedeeld over de duur van dit onderzoek. Tot op heden is er vanuit de Indiase autoriteiten ook geen reactie gekomen op deze aanvraag. Gelet op het voorgaande en de eerdere aanvragen, is volgens eiser dan ook duidelijk dat de Indiase autoriteiten geen lp aan hem zullen verstrekken, waarmee zicht op uitzetting dus ontbreekt.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser deze grond eerder heeft aangevoerd, namelijk in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 13 januari 2026 (met zaaknummer NL25.63379). De rechtbank verwijst voor de beoordeling van deze grond dan ook allereerst naar de rechtsoverwegingen 7. en 8. van deze uitspraak, waarin de rechtbank op het zicht op uitzetting naar India is ingegaan. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken waardoor zicht op uitzetting naar India in zijn algemeenheid nu wel zou ontbreken. Het enkele tijdsverloop sinds de sluiting van het vorige onderzoek op 25 maart 2026 is onvoldoende. Als het gaat om het zicht op uitzetting in eisers specifieke geval, overweegt de rechtbank dat uit verweerders voortgangsrapport blijkt dat de lp-aanvraag van 7 november 2025 nog altijd in behandeling is bij de Indiase autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die tot de conclusie leiden dat voor hem niet binnen een redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. Dat de Indiase consul tijdens eisers presentatie van 22 april 2026 enkel zou hebben meegedeeld de lp-aanvraag in onderzoek te zullen nemen en dat er nog niet op deze aanvraag is gereageerd, is daarvoor, gezien het relatief korte tijdverloop sindsdien, onvoldoende. Ten aanzien van het door eiser gestelde medewerken zijnerzijds merkt de rechtbank op dat hoewel eiser inderdaad heeft meegewerkt aan de presentatie op 22 april 2026, uit het dossier ook blijkt dat eiser niet op is komen dagen bij de eerder geplande presentatie op 4 februari 2026. Dat de behandeling van de lp-aanvraag daardoor mogelijk langer duurt, komt dan ook voor rekening en risico van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat verweerder enkel vertrekgesprekken met hem voert. In het dossier zitten geen bewijsstukken van de schriftelijke rappels die verweerder stelt te hebben verstuurd in het kader van het lp-traject bij de Indiase autoriteiten.
6. De rechtbank stelt voorop dat in de (eerder genoemde) uitspraak van 27 maart 2026 reeds is geoordeeld dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de in de voortgangsrapportage genoemde rappels die door verweerder zijn verstuurd. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4. van die uitspraak en sluit zich hierbij aan. In de voortgangsrapportage van 11 mei 2026 staat dat verweerder in de te toetsen periode twee keer schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Indiase autoriteiten over de voor eiser ingediende laissez-passer aanvraag, laatstelijk op 23 april 2026. Uit dezelfde voortgangsrapportage blijkt daarnaast dat verweerder op 26 maart 2026 en 29 april 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Deze handelingen tezamen acht de rechtbank voldoende voor de conclusie dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
7. Voor zover eiser met zijn verwijzing naar punt 10b (Belangenafweging) van de voorgangsrapportage en zijn stelling in dit verband dat verweerder daar ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de op 22 april 2026 gehouden presentatie bij de Indiase consul, heeft willen betogen dat de belangenafweging in zijn voordeel uit had moeten vallen, slaagt dit betoog niet. Eiser zit op dit moment ruim zeven maanden in bewaring. De rechtbank betrekt hierbij de periode waarin eiser direct voorafgaand aan de huidige maatregel in bewaring was gesteld op een andere wettelijke grondslag. Eiser heeft geen belangen aangevoerd die maken dat de belangenafweging thans in zijn voordeel moet uitvallen. Dat eiser op 22 april 2026 is verschenen op de presentatie bij de Indiase autoriteiten geeft daartoe geen aanleiding, reeds omdat, zoals terecht is betrokken in de op 9 april 2026 door verweerder verrichte verzwaarde belangenafweging, eiser er eerder meermalen duidelijk blijk van heeft gegeven niet mee te werken aan zijn uitzetting. Zo heeft hij tijdens vertrekgesprekken aangegeven dat hij niet mee wil werken aan terugkeer. Verder had hij aan de op 4 februari 2026 geplande presentatie geen medewerking verleend. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.