ECLI:NL:RBDHA:2026:18057

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26555
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring en lichter middel bij asielaanvraag met LHBTI-motief

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had een asielaanvraag ingediend met een LHBTI-motief en voerde aan dat een lichter middel passend was, zoals verblijf in een opvanglocatie, en dat de bewaring onterecht was.

De rechtbank stelde vast dat de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden voor bewaring niet waren betwist en dat deze gronden samen een aanzienlijk risico op onttrekking aan toezicht rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht en voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat geen andere minder dwingende maatregelen dan bewaring doeltreffend zijn.

Het argument van eiser dat hij zijn asielprocedure niet goed vanuit vreemdelingenbewaring kan doorlopen, werd niet concreet onderbouwd. Ook het bezwaar tegen de weging van het niet opvolgen van het terugkeerbesluit werd verworpen, omdat dit relevant is voor het risico op onttrekking.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit van de rechtmatigheid van de bewaring en vond geen onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26555

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend waaraan hij een lhbti-motief ten grondslag heeft gelegd. Aangezien dit veelal lastige procedures zijn, had verweerder eiser dan ook naar de opvanglocatie in Ter Apel moeten laten gaan om hem daar in vrijheid zijn asielprocedure te laten doorlopen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder, bij zijn afweging om geen lichter middel op te leggen, ten onrechte heeft meegewogen dat eiser zich niet aan het terugkeerbesluit van 2 januari 2024 en de daaruit voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten, heeft gehouden. Eiser heeft namelijk een asielaanvraag lopen, zodat van vertrek uit Nederland geen sprake is. Tot slot voert eiser aan dat hij bereid is zich aan het toezicht te houden en dat, indien hij naar de opvanglocatie in Ter Apel mag vertrekken, hij blij is dat hij daar opvang heeft.
4. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend kunnen worden toegepast. De rechtbank verwijst daarbij naar de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het aanzienlijke onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser een asielaanvraag met als asielmotief lhbti-gerichtheid heeft ingediend, maakt niet dat verweerder met een lichter had moeten volstaan. Voor zover eiser heeft willen stellen dat hij zijn asielprocedure niet (goed) vanuit vreemdelingenbewaring kan doorlopen, overweegt de rechtbank dat dit niet door eiser is geconcretiseerd of onderbouwd. Wat betreft het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte heeft meegewogen dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit van 2 januari 2024, heeft verweerder ter zitting er terecht op gewezen dat de omstandigheid dat eiser op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring is gesteld, niet maakt dat niet aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij zich niet aan zijn eerder opgelegde verplichting heeft gehouden om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Deze omstandigheid zegt namelijk iets over het risico op onttrekking aan het toezicht, dat op zijn beurt weer van belang is voor de vraag of verweerder gehouden was een lichter middel op te leggen. De stellingen van eiser dat hij (voortaan) bereid is zich aan het toezicht op vreemdelingen te houden en hij blij is dat hij gedurende zijn asielprocedure opvang zou kunnen krijgen, maken – in het licht van het voorgaande – niet dat geen sprake meer is van een onttrekkingsrisico. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, dan ook terecht afgezien van het toepassen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.