ECLI:NL:RBDHA:2026:18063

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35867
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen afwijzing tijdelijke bescherming Oekraïense ontheemde

Verzoekster, een Oekraïense nationaliteit houdende ontheemde, heeft een aanvraag ingediend voor verblijf onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister heeft dit verzoek op 1 juni 2026 afgewezen omdat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat zij door de oorlog ontheemd is geraakt. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening omdat haar opvangplek per 29 juni 2026 zou komen te vervallen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit van de minister ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid, mede omdat verzoekster niet is bevraagd over haar reisroute en verblijfplaatsen. Gezien de spoedeisendheid en het belang van verzoekster om opvang en leefgeld te behouden tijdens de bezwaarprocedure, weegt dit zwaarder dan het belang van de minister om de voorzieningen te beëindigen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit van 1 juni 2026 geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Het besluit van de minister om geen tijdelijke bescherming te bieden is geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35867

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de minister om haar geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. [1]

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor verblijf onder de RTB. Deze richtlijn van de Europese Unie geeft ontheemden uit Oekraïne tijdelijke bescherming in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2026 afgewezen. Volgens de minister heeft verzoekster geen recht op verblijf in Nederland onder de richtlijn. De minister heeft weliswaar vastgesteld dat verzoekster de Oekraïense nationaliteit heeft, maar de minister is niet overtuigd dat verzoekster door de oorlog ontheemd is geraakt. Daartoe heeft de minister aangegeven dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond wanneer zij uit Oekraïne is vertrokken en dat zij duurzaam in Oekraïne verbleef. Verzoekster heeft hiertegen op 3 juni 2026 bezwaar gemaakt en de gronden op 1 juli 2026 aangevuld.
2.1.
Omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht op 25 juni 2026 aan verzoekster heeft aangegeven dat er vanaf 29 juni 2026 geen opvangplek meer beschikbaar is voor haar heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. In verband met dit verzoek heeft het college aangegeven dat verzoekster in afwachting van de uitspraak op de voorlopige voorziening nog tot en met 6 juli 2026 in de opvang mag blijven. Verzoekster heeft het verzoek op 30 juni 2026 aangevuld met gronden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster voert in de gronden van het verzoek aan dat er een summiere beoordeling is gemaakt van de stukken die zij bij zich had en dat uit het besluit niet blijkt dat zij is bevraagd op haar reisroute en de plekken in Oekraïne of elders waar zij heeft gewoond. Verzoekster stelt zich dan ook op het standpunt dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd alsmede onzorgvuldig voorbereid. Volgens verzoekster heeft haar bezwaar een redelijke kans van slagen, ook gelet op het feit dat nog aanvullende bewijsstukken zullen worden ingebracht. Verzoekster vraagt de belangenafweging in het kader van de beoordeling van het verzoek in haar voordeel te laten uitvallen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. Door het besluit van de minister heeft verzoekster geen recht meer op opvang in Utrecht. Ook stopt de verstrekking van leefgeld omdat dit gekoppeld is aan het recht op opvang onder de RTB. Het college van de gemeente Utrecht heeft aangegeven dat verzoekster in afwachting van de uitspraak op de voorlopige voorziening nog tot en met 6 juli 2026 in de opvang mag blijven, De spoedeisendheid is daarmee een gegeven.
Beoordeling voorzieningenrechter
5. De vraag of verzoekster al dan niet als ontheemde uit Oekraïne moet worden aangemerkt en onder de bescherming van de RTB valt, is niet zonder nader onderzoek te beoordelen. Gebleken is dat verzoekster na indiening van het bezwaar aanvullende documenten heeft overgelegd. Zij heeft gesteld nog meer stukken te zullen overleggen. Over deze stukken moet de minister vervolgens in het kader van de volledig heroverweging in bezwaar een standpunt innemen. Gelet op het voorgaande weegt in deze zaak het belang van verzoekster om tijdens de behandeling van haar bezwaar opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen te behouden, zwaarder dan het belang van de minister om deze voorzieningen al daarvoor te beëindigen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 1 juni 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat verzoekster recht behoudt op de daaraan verbonden verstrekkingen waaronder het recht op opvang en leefgeld tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.
6.1.
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 934,-. [2]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 1 juni 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.