ECLI:NL:RBDHA:2026:18064

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.3373
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in Dublin-zaak naar Letland

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Letland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling. Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de voorziening omdat hij de uitkomst van het beroep in Nederland wil afwachten. De rechtbank houdt de behandeling van het beroep aan in afwachting van uitspraken van de meervoudige kamer over vergelijkbare zaken, waaronder het gebruik van het algoritme CaseMatcher.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen om te voorkomen dat door uitvoering van het besluit een onomkeerbare situatie ontstaat. De rechtbank weegt het belang van verzoeker af tegen het belang van de minister om overdracht aan een andere lidstaat mogelijk te maken. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting naar Letland wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3373

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: I.M.J. Weda).

Inleiding

1. Bij besluit van 20 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. [1] Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt de minister te verbieden over te gaan tot uitzetting(shandelingen) tot op het beroep is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, als tegen het besluit beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat vereist gelet op de betrokken belangen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken en legt dat hierna uit.
2.1.
Uit het bestreden besluit volgt dat verzoeker de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
2.2.
In geschil is de vraag of de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling heeft hoeven nemen, omdat Letland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van het asielverzoek.
2.3.
De beroepsgronden van verzoeker zien onder andere op de vraag of bij de besluitvorming gebruik is gemaakt van CaseMatcher. De minister heeft in zijn brief van 13 februari 2026 toegelicht dat de vaststelling en de waardering van de feiten en omstandigheden die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, niet geheel of voor een deel het resultaat zijn van enig algoritme, daaronder begrepen de CaseMatcher. Volgens de minister is het bestreden besluit dus niet geheel of voor deel geautomatiseerd tot stand gekomen.
2.4.
De minister heeft de rechtbank bij brief van 12 mei 2026 gevraagd om op korte termijn uitspraak te doen op de voorlopige voorziening in verband met het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn op 7 juli 2026.
2.5.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 7 mei 2026 tussenuitspraak gedaan in twee zaken [2] waarbij ook het mogelijke gebruik van CaseMatcher aan de orde is. Eén van beide beroepen betreft een Dublin-zaak [3] . Omdat de uitkomst van die procedures van belang is bij de beoordeling van het beroep van verzoeker houdt de rechtbank, in afwachting van de uitspraken van de meervoudige kamer, de behandeling van het beroep aan. Hierin ziet de rechtbank aanleiding voor toewijzing van de voorlopige voorziening. Een voorlopige voorziening is ervoor bedoeld om in afwachting van een definitief oordeel over het geschil te voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat. Daarbij dient de rechtbank een evenwichtige belangenafweging te maken. Bij deze afweging wordt rekening gehouden met zowel het belang van de vreemdeling om de uitkomst van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten, als het belang van de minister om een vreemdeling over te dragen indien een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Het niet beslissen op een verzoek om voorlopige voorziening om de enkele reden dat het verzoek in Nederland mag worden afgewacht, verdraagt zich niet met de opdracht aan de voorzieningenrechter als daardoor de uitvoering van het bestreden besluit hoe dan ook onmogelijk wordt doordat de overdrachtstermijn verloopt. De omstandigheid dat in het geval van toewijzing van de voorlopige voorziening de overdrachtstermijn wordt opgeschort en dat de vreemdeling dan langer in onzekerheid verkeert over de mogelijkheid om eventueel alsnog in de nationale asielprocedure te kunnen worden opgenomen, weegt onvoldoende om geheel voorbij te gaan aan het belang van de minister om de vreemdeling te zijner tijd alsnog te kunnen overdragen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen, het bestreden besluit schorsen en bepalen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Letland totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1). [4]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Letland totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.3372.
2.Zie de uitspraken van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:10882 en ECLI:NL:RBDHA:2026:10886).
4.Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.