ECLI:NL:RBDHA:2026:18069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702298 / KG ZA 26-327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 611d Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing verhuisgebod en zorgregeling in executiegeschil ouderschap

De vrouw en de man zijn gezamenlijk gezaghebbende ouders van drie minderjarige kinderen. Het hof had de vrouw verplicht met de kinderen terug te verhuizen naar de regio van de man, met een zorgregeling en dwangsommen bij niet-nakoming. De vrouw verzoekt in kort geding schorsing van het verhuisgebod en de dwangsommen, stellende dat zij geen passende woonruimte heeft en dat de man zijn zorgverplichtingen niet nakomt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het hier een executiegeschil betreft en dat de tenuitvoerlegging slechts kan worden geschorst bij misbruik van executiebevoegdheid of een noodtoestand. Hoewel de vrouw haar stellingen niet kan bewijzen in kort geding, acht de rechter aannemelijk dat zij geen passende woonruimte heeft en dat onmiddellijke verhuizing niet in het belang van de kinderen is.

Daarom wordt de tenuitvoerlegging van het verhuisgebod geschorst tot de bodemrechter uitspraak doet. De zorgregeling blijft ongewijzigd van kracht en de vrouw wordt verplicht de minderjarige op schooldagen naar de school in de regio van de man te brengen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het verhuisgebod wordt geschorst tot de bodemrechter uitspraak doet, terwijl de zorgregeling en schoolverplichting ongewijzigd blijven.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702298 / KG ZA 26-327
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. R.S. Rabarison te [plaats 1] ,
tegen:
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. E.P. van der Ree te Naarden.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 t/m 18;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met de producties 1 t/m 9;
- de akte uitlating tevens antwoord in reconventie en vermeerdering vorderingen met de producties 19 t/m 28;
- de door de vrouw overgelegde aanvullende producties 29 en 30;
- de akte van de man naar aanleiding van de vermeerdering eis en overgelegde producties met de producties 10 t/m 12;
- de door de vrouw overgelegde producties 31 t/m 33;
- de door de vrouw overgelegde ontvangstbevestiging van 11 mei 2026 van het verzoekschrift in de bodemprocedure van de rechtbank [plaats 1] ;
- de akte vermeerdering eis van de man;
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] (hierna [de minderjarige 1] ), [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 20223 te [geboorteplaats 1] (hierna: [de minderjarige 2] ) en [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2025 te [geboorteplaats 2] (hierna: [de minderjarige 3] ). Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
2.2
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2025 is, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
  • aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen;
  • bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
  • bepaald dat [de minderjarige 1] vanaf 1 september 2025 bij de man zal zijn: iedere week op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur en iedere woensdag uit school tot 19.00 uur, waarbij de man haalt en brengt;
  • bepaald dat [de minderjarige 2] vanaf 1 september 2025 bij de man zal zijn: iedere week op zondag van 10.00 uur tot woensdagochtend, waarbij de man haar op zondagochtend bij de vrouw ophaalt, en de vrouw [de minderjarige 2] op woensdag bij de man ophaalt;
  • een vakantie-en feestdagenregeling bepaald;
  • aan de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [basisschool] te [plaats 1] ;
  • bepaald dat de man de huurder zal zijn van de voormalig echtelijke woning in [plaats 2] .
2.3
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2025. Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 26 november 2025 (hierna: de beschikking van het hof) is, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
  • de vrouw geboden met de kinderen uiterlijk 1 mei 2026 terug te verhuizen naar [plaats 2] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat zij dit gebod overtreedt met een maximum van € 50.000,--;
  • een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de man verblijven iedere zondag van 10.00 uur tot woensdag 12.00 uur, en van woensdag 12.00 uur tot zondag 10.00 uur bij de vrouw, waarbij de ouder waar de kinderen naar toe gaan de kinderen ophaalt. Vanaf het moment dat [de minderjarige 3] één jaar oud is, geldt voor hem dezelfde zorgregeling als voor de oudste twee kinderen; tot die tijd kan de man [de minderjarige 3] wekelijks op zondag zien bij het ophalen van de andere kinderen;
  • bepaald dat de vrouw dient mee te werken aan het inschrijven van [de minderjarige 1] bij de [school] in [plaats 2] per 1 mei 2026, en bij gebreke van deze medewerking verleent het hof vervangende toestemming hiervoor aan de man.
2.4
Het hof heeft in de beschikking, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“5.6 Alle omstandigheden en belangen wegende is het hof van oordeel dat het belang van de man en de minderjarigen bij terugverhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar [plaats 2] zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om zich met de minderjarigen in [plaats 1] te (blijven) vestigen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw de noodzaak van de (terug)verhuizing naar [plaats 1] niet genoegzaam heeft aangetoond. Tijdens de mondelinge
behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij voor haar welzijn naar [plaats 1] is verhuisd, geen sociaal netwerk heeft in [plaats 2] en dat zij zich daar niet gelukkig voelt. Volgens haar is er verder sprake van een ongezonde dynamiek tussen haar en de man en de door de vrouw ervaren intieme terreur. Voorts zijn de kinderen jong en niet geworteld in [plaats 2] . Zij heeft in [plaats 1] haar familie als vangnet en heeft daar een koopwoning. alwaar zij nu met de minderjarigen verblijft. Het hof begrijpt de wens en het emotionele belang van de vrouw om terug te verhuizen naar [plaats 1] en daar een toekomst op te bouwen. Dit is echter niet voldoende zwaarwegend om de belangenafweging in haar voordeel te doen doorslaan. Door de verhuizing wordt de verdeling van de zorg gecompliceerd. De gestelde slechte ervaringen en belevingen gedurende het huwelijk en daarna zijn door de vrouw niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt en door de man uitdrukkelijk betwist, zodat dit evenmin gegronde redenen zijn om vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar [plaats 1] . Daarbij komt dat de vrouw niet in dezelfde straat/buurt als de man behoeft te gaan wonen. De man heeft daartegenover gesteld dat hij gezien zijn werk gebonden is aan de regio [plaats 2] . Hij zou een uitgebreide zorgregeling/co-ouderschap willen uitvoeren en door een verhuizing is dit onmogelijk. De werkverplichtingen van de man zijn (ook tijdens het huwelijk) met name geconcentreerd aan het einde van de week en op zaterdag. zodat de man zijn zorgtaken met name op zondag en het begin van de week kan uitvoeren. Bij een dergelijke zorgregeling dient de vader in de nabijheid van de school van de kinderen te wonen. Daarbij komt dat een verhuizing het onmogelijk dan wel zeer gecompliceerd maakt om van elkaar flexibel zorgtaken over te nemen en de kinderen te begeleiden ín de buitenschoolse activiteiten. Het recht van de vader en de minderjarige op een uitgebreid en intensief en door-de-weeks contact en de reden van de vader waarom hij niet in staat is mee te bewegen met de verhuizing van de vrouw, laat het hof dan ook zwaar meewegen. Dit betekent dat de belangenafweging van het hof doorslaat in het voordeel van de man en dat het inleidende verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] , alsnog zal worden afgewezen. […]”
“5.7 De vrouw verblijft thans ín haar koopwoning in [plaats 1] . Het hof acht het redelijk en billijk om de vrouw een ruime periode tot l mei 2026 te gunnen om terug te verhuizen naar [plaats 2] . Zij is dan in de gelegenheid om desgewenst haar woning te verkopen en de verhuizing met de minderjarigen goed voor te bereiden.”
“5.11 Na afweging van hetgeen partijen in de stukken en ter zitting naar voren hebben gebracht komt het hof tot de conclusie dat een reguliere zorgregeling. waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van zondag 10.00 uur tot woensdag 12.00 uur bij de man zijn en van woensdag 12.00 uur tot zondag 10.00 uur bij de vrouw en de man [de minderjarige 3] elke zondag bij het ophalen één tot twee uur kan zien het meest in het belang van de minderjarigen is, waarbij zal gelden dat de ouder waar de kinderen naar toe gaat de kinderen zal ophalen. Vanaf het moment dat [de minderjarige 3] één jaar oud is, zal voor hem dezelfde zorgregeling als voor de oudste twee minderjarigen gaan gelden. De ouders gaan dichter bij elkaar wonen, zodat aan een gelijk waardig(er) ouderschap invulling gegeven kan worden. Nu de terugverhuizing naar [plaats 2] uiterlijk 1 mei 2026 zal plaatsvinden, acht het hof het in het belang van de minderjarigen dat in de tussentijd de zorgregeling zoals die loopt doorgang zal vinden. Het staat partijen vrij om andere afspraken te maken.”
2.5
De vader heeft [de minderjarige 1] ingeschreven op de [school] in [plaats 2] . [de minderjarige 1] wordt op maandag 11 mei 2026 op de school verwacht.
2.6
De man heeft op 28 april 2026 de beschikking van het hof aan de vrouw betekend en bevel gegeven om aan het verhuisgebod te voldoen.
2.7
De vrouw heeft op 10 mei 2026 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank [plaats 1] , waarin zij wijziging verzoekt van de zorgregeling en vervangende toestemming voortduring woonplaats te [plaats 1] en inschrijving basisschool in [plaats 1] .

3.Het geschil

in conventie
3.1
De vrouw vordert na eiswijziging– zakelijk weergegeven – :
  • i) schorsing van de tenuitvoerlegging van het verhuisbevel uit de beschikking van het hof van 26 november 2025 tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;
  • ii) schorsing van de verbeurte en verdere tenuitvoerlegging van de dwangsommen als bepaald in de beschikking van het hof voor dezelfde termijn als onder (i) bedoeld, waarbij de man zich tevens dient te onthouden van de tenuitvoerlegging van de dwangsommen die zijn verbeurd over de periode 1 mei 2026 tot en met de datum van het vonnis in deze procedure;
  • iii) schorsing van de tenuitvoerlegging van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van het hof zolang de vrouw haar hoofdverblijfplaats in [plaats 1] heeft, althans voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;
  • iv) voorlopig te bepalen dat [de minderjarige 1] gedurende dezelfde termijn als onder (i) genoemd, feitelijk onderwijs zal blijven volgen aan [basisschool] te [plaats 1] in klas 1-2C;
  • v) de man te gebieden zijn volledige medewerking te verlenen aan het feitelijk schoolbezoek van [de minderjarige 1] aan de voornoemde school in [plaats 1] , waaronder mede begrepen: het gehengen en gedogen van voortzetting van het onderwijs aan [basisschool] ; het nalaten van handelingen die ertoe strekken het schoolbezoek van [de minderjarige 1] in [plaats 1] te verhinderen, frustreren of beëindigen; het verlenen van alle noodzakelijke toestemmingen en medewerking die door de school worden verlangd een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag(deel) dat de man in overtreding is;
  • vi) te bepalen dat deze voorziening, voor zover noodzakelijk, in de plaats treedt van de toestemming van de man;
  • vii) de man te veroordelen in de kosten van dit geding en in de onderzoekskosten.
3.2
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Ondanks aantoonbare en intensieve inspanningen is de vrouw objectief niet in staat aan het verhuisbevel te voldoen, terwijl juist die verhuizing een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de uitvoerbaarheid van de zorgregeling en de schoolgang van de minderjarige op de [school] te [plaats 2] . Het desondanks vasthouden van de man aan onverkorte tenuitvoerlegging van de hofbeslissing levert onder deze omstandigheden misbruik van executiebevoegdheid op, nu wordt aangedrongen op uitvoering van een beslissing waarvan de dragende feitelijke voorwaarden ontbreken. Dat klemt te meer nu een en ander de belangen van de kinderen evident schaadt. Daar komt bij dat de man zelf geen uitvoering geeft aan de uitgangspunten waarop de beschikking is gebaseerd. Zo blijkt in de praktijk dat hij niet beschikbaar is om de zorg voor de kinderen op de door het hof veronderstelde wijze zelf in te vullen. Evenmin heeft hij invulling gegeven aan een noodzakelijke opbouw van het contact met [de minderjarige 3] , terwijl zonder een dergelijke opbouw [de minderjarige 3] als hij een jaar wordt niet van de ene op de andere dag kan deelnemen aan een co-ouderschapszorgregeling. De onevenredigheid tussen het belang van de man bij onmiddellijke en volledige tenuitvoerlegging van de hofbeschikking enerzijds en de belangen van de kinderen en de vrouw anderzijds is zodanig, dat de man nu in redelijkheid niet tot executie kan overgaan.
3.3
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De man vordert na eiswijziging– zakelijk weergegeven –:
  • i) te bepalen dat totdat [de minderjarige 3] op [geboortedatum 3] 2026 één jaar wordt hij bij de man zal verblijven de zondagen van 10.00 uur tot 19.00 uur, althans tot 12.00 uur, waarbij de man [de minderjarige 3] zal ophalen en terugbrengen, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per keer dat de vrouw hieraan weigert mee te werken;
  • ii) te bepalen dat de vrouw veroordeeld wordt om vanaf heden [de minderjarige 1] op schooldagen dat hij bij haar verblijft naar de [school] in [plaats 2] te brengen, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per keer dat de vrouw hieraan niet voldoet;
  • iii) de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.5
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man heeft [de minderjarige 3] na de beschikkingen van de rechtbank en het hof slechts sporadisch gezien. De vrouw verbindt daar namelijk als voorwaarde aan, dat dit contact dient te geschieden in haar aanwezigheid en dat dit conform de opbouwregeling is die de rechtbank had vastgesteld. Op tegenvoorstellen betreffende de omgangsmomenten met [de minderjarige 3] heeft de vrouw afwijzend gereageerd. Ter voorkoming van nieuwe procedures wacht de man totdat [de minderjarige 3] 1 jaar is, omdat dan de door het hof voor de andere kinderen vastgestelde zorgregeling ook voor [de minderjarige 3] zal gelden.
De vrouw is van plan [de minderjarige 1] ook na 1 mei 2026 op de dagen dat hij bij de vrouw is naar zijn oude school in [plaats 1] te brengen. Dit is in strijd met hetgeen het hof heeft bepaald. Het is verwarrend voor [de minderjarige 1] als hij drie dagen in [plaats 2] naar school gaat en ook nog twee dagen naar zijn oude school in [plaats 1] , alleen maar omdat de vrouw weigert gevolg te geven aan de beslissing van het hof.
3.6
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1
De voorzieningenrechter zal allereerst het verweer van de man dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de vrouw bespreken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit verweer niet slaagt en overweegt hierover het volgende.
4.2
De vorderingen van de vrouw in deze procedure strekken tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof tot 1 januari 2027. De vrouw wil daarmee bereiken dat de door het hof opgelegde verhuisverplichting en de zorgregeling voorlopig worden opgeschort, en dat de door het hof bepaalde dwangsommen bij niet-nakoming voorlopig door de man niet mogen worden geëxecuteerd. De vorderingen zien dus niet op het opheffen of verminderen van de door het hof opgelegde dwangsommen. Dit betekent dat sprake is van een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De beoordeling van de vraag of de schuldeiser, in dit geval de man, de dwangsommen mag executeren wegens niet-nakoming door de vrouw komt toe aan de rechter die bevoegd is om van een executiegeschil kennis te nemen. Dit oordeel komt niet toe aan de dwangsomrechter in het kader van een vordering op de voet van artikel 611d Rv. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter in dit executiegeschil bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de vouw.
4.3
De vraag die in conventie voorligt is, of de man bij wijze van voorlopige voorziening moet worden verplicht de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof (met daarin opgenomen de verhuisverplichting en de zorgregeling) te staken.
4.4
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het gaat hier om een executiegeschil. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij (in dit geval inmiddels onherroepelijke) rechterlijke uitspraak is toegewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in een dergelijk executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren meer tegen de uitspraak kunnen worden aangevoerd, behoudens die welke leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. Hiervan kan sprake zijn indien de te executeren uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor de geëxecuteerde, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
4.5
De vrouw stelt dat in dit geval sprake is van misbruik van bevoegdheid door de man, althans een noodtoestand aan haar zijde. Niet alleen is de vrouw er niet in geslaagd een woning te vinden, maar ook is volgens haar inmiddels gebleken dat de man het hof onjuist heeft geïnformeerd, terwijl de door hem gegeven informatie juist bepalend is geweest voor de beslissing van het hof. Daarom heeft de vrouw recent een bodemprocedure bij de rechtbank [plaats 1] aanhangig gemaakt tot wijziging van de door het hof gegeven beschikking. Volgens de vrouw heeft de man in de hofprocedure ten onrechte gesteld dat hij een uitgebreide zorgregeling/co-ouderschap wil, omdat hij zelf in staat zou zijn de zorgtaken uit te voeren. De door de man gestelde werk- en zorgverdeling heeft het hof blijkens zijn beslissing over de zorgregeling en de verhuiskwestie zwaar laten meewegen (zie rechtsoverweging 5.6 van de beschikking van het hof), aldus de vrouw. De vrouw stelt dat de man hierover tegen het hof heeft gelogen en dat hij op zijn zorgmomenten de zorgtaken (structureel) niet zelf, maar door anderen laat uitvoeren. Ter onderbouwing van die stelling heeft de vrouw een onderzoeksrapport van het bureau
Shetectgedateerd 5 mei 2026 overgelegd. De man betwist de juistheid van de bevindingen en conclusies in dit rapport.
4.6
In een kort geding procedure is geen plaats voor nadere bewijslevering, zodat de voorzieningenrechter de juistheid van voornoemde stellingen van de vrouw in dit kort geding, in het licht van de betwisting ervan door de man, niet kan vaststellen. Dat laat onverlet dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat de rechtbank in de inmiddels aanhangige bodemprocedure tot een ander oordeel zal komen dan het hof, op grond van de door de vrouw gestelde nieuwe informatie. Het uiteindelijke oordeel over de vraag of de vrouw al dan niet moet terugverhuizen naar [plaats 2] en de vraag of er daarbij reden is de zorgregeling te wijzigen, is echter niet aan de voorzieningenrechter maar aan de bodemrechter.
4.7
Dat betekent dat op dit moment slechts moet worden beoordeeld of onder de gegeven omstandigheden van de man kan worden gevergd de executie van dwangsommen voorlopig te staken. De voorzieningenrechter tekent in dat kader aan dat de man terecht heeft opgemerkt dat het verhuisbevel zelf door hem niet ten uitvoer kan worden gelegd en hij enkel de dwangsom als prikkel tot nakoming kan inzetten. De vrouw heeft gesteld dat zij tot op heden geen passende woonruimte in [plaats 2] heeft kunnen vinden, ondanks veel pogingen daartoe, mede omdat zij nog geen vaste aanstelling heeft. De man heeft betwist dat de vrouw voldoende heeft ondernomen om woonruimte te vinden en hij heeft er op gewezen dat zij desnoods (tijdelijk) in zijn woning kan gaan verblijven met de kinderen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden in het midden kan blijven of juist is dat de vrouw geen passende woning heeft kunnen vinden, (zoals zij stelt) of dat zij te weinig moeite heeft gedaan (zoals de man stelt). Want zelfs als juist zou zijn dat de vrouw niet voldoende moeite heeft gedaan om woonruimte te vinden in [plaats 2] , dan is de feitelijke situatie dat er op dit moment nog geen woonruimte beschikbaar is voor haar en de kinderen in [plaats 2] . De man heeft weliswaar aangeboden dat de vrouw en de kinderen (tijdelijk) in zijn woning in [plaats 2] kunnen gaan verblijven op de zorgmomenten van de vrouw, maar de vrouw heeft gemotiveerd aangegeven dat zij dit emotioneel niet aankan, mede in het licht van het feit dat de familie van de man daar in de buurt woont. De voorzieningenrechter acht dat bezwaar van de vrouw voorshands aannemelijk.
4.8
Nu de bodemrechter op niet al te lange termijn opnieuw zal gaan oordelen over de verhuisverplichting van de vrouw en zij op dit moment nog geen passende woonruimte heeft in [plaats 2] , ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verhuisverplichting te schorsen totdat de bodemrechter op het verzoek van de vrouw heeft beslist. Daarbij weegt het belang van de kinderen zwaar mee. Daargelaten dat er op dit moment feitelijk nog geen woonruimte voorhanden is, wordt het niet in het belang van de kinderen geacht dat zij op stel en sprong moeten verhuizen naar [plaats 2] , terwijl niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter alsnog zal beslissen dat de vrouw met de kinderen in [plaats 1] mag blijven. Dat zou dan immers tot een hernieuwde terugverhuizing op korte termijn leiden, wat erg onrustig en nadelig is voor de kinderen.
4.9
Het enkele feit dat de verhuisverplichting voorlopig wordt geschorst heeft voor de man overigens geen grote nadelige gevolgen. De vrouw krijgt namelijk géén toestemming [de minderjarige 1] voorlopig in [plaats 1] op school te laten. Daarvoor bestaat onvoldoende reden. Vaststaat immers dat hij na de meivakantie is begonnen op de [school] in [plaats 2] . Dat is voor de man van groot belang, nu hij daardoor [de minderjarige 1] niet meer drie dagen per week (gedurende zijn zorgtijd) naar [plaats 1] hoeft te brengen en halen. Onder de gegeven omstandigheden kan voorlopig van de vrouw worden gevergd voor de duur van de bodemprocedure [de minderjarige 1] op haar zorgdagen naar [plaats 2] te brengen en te halen, zo nodig met hulp van derden. Dat klemt te meer nu de grote vakantie al in zicht komt en er dan 6 weken geen school is. De voorzieningenrechter acht het overigens ook niet in het belang van [de minderjarige 1] zelf dat hij na enkele weken in [plaats 2] al weer van school zou moeten wisselen, te meer nu nog onzeker is of de vrouw alsnog toestemming krijgt om in [plaats 1] te blijven wonen. De vordering van de vrouw om de man te verplichten tot medewerking aan schoolgang van [de minderjarige 1] in [plaats 1] zal dan ook worden afgewezen.
4.1
De voorzieningenrechter ziet evenmin reden de door het hof vastgestelde zorgregeling te schorsen, zoals de vrouw heeft gevorderd. Niet gebleken is dat het op dit moment slecht gaat met de kinderen als zij bij de man zijn of dat er anderszins contra-indicaties zijn voor voortzetting van de huidige zorgregeling. De vraag of de zorgregeling moet worden gewijzigd houdt feitelijk rechtstreeks verband met de vraag of de vrouw alsnog in [plaats 1] mag blijven wonen en zal dus ook door de bodemrechter moeten worden beantwoord.
4.11
De slotsom is dat de vordering van de vrouw tot schorsing van de verhuisverplichting wordt toegewezen totdat de bodemrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Dat brengt direct met zich dat de vrouw geen dwangsommen verbeurt die zien op niet-nakoming van de verhuisverplichting. Een separate beslissing op dat punt is dus niet nodig en zal bij gebrek aan belang worden afgewezen.
in reconventie
4.12
Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de (opbouw van) het contact tussen de man en [de minderjarige 3] . Met ingang van zondag 17 mei 2026 zal de man 2 keer per week contact hebben met [de minderjarige 3] . De man heeft aangegeven dat bij de eerste contactmomenten met [de minderjarige 3] zijn zus aanwezig kan zijn. De voorzieningenrechter heeft op de zitting aangegeven dat de vrouw in een omgangsschrift duidelijke instructies voor de man moet schrijven over de verzorging van [de minderjarige 3] , zoals zijn voedings- en slaappatroon. Over de precieze praktische invulling van de contactmomenten zullen partijen verder onderling afspraken maken. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat partijen zich in het belang van [de minderjarige 3] zullen houden aan hun afspraken. Als [de minderjarige 3] 1 jaar wordt zal de in de beschikking van het hof vastgestelde zorgregeling ook voor [de minderjarige 3] gaan gelden, tenzij partijen anders overeenkomen of de rechter in de bodemprocedure anders beslist.
4.13
Zoals hiervoor al is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw [de minderjarige 1] op schooldagen dat hij bij haar verblijft naar de [school] in [plaats 2] zal moeten brengen en ophalen. Zo nodig kan zij hierbij hulp van derden inschakelen. De vordering van de man om aan deze verplichting een dwangsom te verbinden wordt afgewezen. Er is op dit moment geen aanleiding om te verwachten dat de vrouw deze beslissing niet zal nakomen.
Proceskosten
4.14
In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kinderen betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, zowel in conventie als in reconventie.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1
veroordeelt de man tot het staken en gestaakt houden van de tenuitvoerlegging van de tussen partijen gewezen beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 26 november 2025, voor zover die ziet op het verhuisgebod naar [plaats 2] , totdat de rechter in de aanhangige bodemprocedure meer of anders beslist;
5.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.5
veroordeelt de vrouw om vanaf de datum van dit vonnis [de minderjarige 1] op schooldagen dat hij bij haar verblijft naar de [school] in [plaats 2] te brengen en weer op te halen totdat de rechter in de aanhangige bodemprocedure meer of anders beslist;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
AW