ECLI:NL:RBDHA:2026:18095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/703463 / KG ZA 26-400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling en voorlopige omgangsregeling in afwachting onderzoek Veilig Thuis

De vader vordert nakoming van de zorgregeling en een regeling voor de zomervakantie 2026, nadat de moeder de zorgregeling eenzijdig opschortte vanwege zorgen over de veiligheid van het kind. De moeder baseert haar opschorting op gedragsveranderingen bij het kind en een lopend onderzoek van Veilig Thuis.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van het kind bij contact met beide ouders zwaar weegt en dat de veiligheid van het kind bij de vader niet direct in het geding is gebleken. Daarom wordt een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij het kind wekelijks op zaterdag bij de vader verblijft, zonder begeleiding.

De vordering tot afgifte van het kind en een dwangsom wordt afgewezen. De zomervakantieregeling wordt toegewezen onder voorbehoud van het rapport van Veilig Thuis. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling met een voorlopige omgangsregeling en de zomervakantie wordt verdeeld onder voorbehoud van het Veilig Thuis rapport.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703463 / KG ZA 26-400
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[de vader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiser,
advocaat mr. R.C. van Bakel te Gouda.
tegen:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde,
advocaat mr. C. Goudkamp te Woerden.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de brief van de moeder van 18 mei 2026, met bijlage.
1.2
Tijdens de zitting op 19 mei 2026 is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2
Uit de relatie van partijen is geboren:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].
2.4
[minderjarige] staat in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres bij de
moeder.
2.5
Na het beëindigen van de relatie zijn partijen op 24 september 2023 een ouderschapsplan overeengekomen. Hierin zij zijn – voor zover van belang – overeengekomen dat [minderjarige] bij de vader is:
- in de even weken van woensdag 16.00 uur (de moeder brengt [minderjarige] bij de vader) tot en met vrijdag 08.20 uur (de vader brengt [minderjarige] naar school);
- in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur (de vader haalt [minderjarige] uit school of BSO) tot zondag 18.30 uur (de vader brengt [minderjarige] naar de moeder).
2.6
De zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is in onderling overleg tussen partijen gewijzigd per 1 mei 2024. Vanaf dat moment verblijft [minderjarige] bij de vader:
- in de even weken van donderdag 14.30 uur (de vader haalt [minderjarige] uit school) tot vrijdag 08.20 uur (de vader brengt [minderjarige] naar school);
- in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur (de vader haalt [minderjarige] uit school of BSO) tot maandag 08.20 uur (de vader brengt [minderjarige] naar school);

3.Het geschil

3.1
De vader vordert – zakelijk weergegeven –:
- de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling;
- te bepalen dat [minderjarige] tijdens de zomervakantie 2026 bij de moeder verblijft van 18 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026 en bij de vader verblijft van 10 augustus 2026 (ophalen bij de BSO of om 12.00 uur) tot en met 24 augustus 2026 (wegbrengen naar de BSO of om 12.00 uur), en dat daarbuiten de reguliere zorgregeling geldt;
- de moeder te veroordelen tot afgifte van [minderjarige] aan de vader ten behoeve van het eerstvolgende contactmoment na afgifte van het (mondelinge) vonnis bij de woning van de vader, dan wel dat zij moet meewerken aan een wisselmoment via de school of BSO en dat zij [minderjarige] afgeeft aan de oma vaderszijde op haar oppasdagen;
- de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij [minderjarige] in de toekomst niet conform de zorgregeling naar de vader laat gaan;
- de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Per 2 april 2026 is de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] door de moeder eenzijdig opgeschort. De moeder had bij de politie een melding gemaakt, omdat zij zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De politie heeft vervolgens Veilig Thuis ingelicht en zij zijn een onderzoek gestart. Het onderzoek is ten tijde van de zitting nog niet afgerond. De vader herkent zich absoluut niet in de beschuldigingen van de moeder en wil dat de zorgregeling wordt hervat.
3.3
De moeder voert verweer. Zij vindt de overeengekomen zorgregeling niet langer in het belang van [minderjarige]. Rondom het contact met de vader ziet de moeder gedragsveranderingen bij [minderjarige]. Hij heeft buikpijn en heeft soms ongelukjes met zijn ontlasting. Verder doet [minderjarige] zorgelijke uitspraken tegen zijn moeder en heeft hij aangegeven dat hij door de vader is geslagen. Naar aanleiding van deze zorgen heeft Veilig Thuis haar geadviseerd om het contact stop te zetten. Er vindt nu belcontact plaats en [minderjarige] ziet zijn vader bij [speeltuin], in aanwezigheid van de oma moederszijde. Zolang het onderzoek vanuit Veilig Thuis nog loopt, is het onverantwoord om de zorgregeling weer te hervatten.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1
Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vader een spoedeisend belang bij
zijn vordering, gelet op het zeer beperkte contact dat nu tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt. De tussen partijen overeengekomen zorgregeling wordt op dit moment niet nageleefd. Daar waar [minderjarige] eerder wekelijks bij de vader verbleef, is het nu contact nu zeer beperkt. Bij het langer uitblijven van contact, zal de kloof tussen [minderjarige] en zijn vader te groot worden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de reguliere zorgregeling. Nu de zomervakantie op korte termijn begint, neemt de voorzieningenrechter voor de vordering die hierop ziet, ook spoedeisendheid aan.
Inhoudelijke beoordeling
4.2
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een overeengekomen zorgregeling moet worden nagekomen en dat een kind belang heeft bij contact met zijn beide ouders. Slechts in uitzonderingsgevallen kan daarvan worden afgeweken.
4.3
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Door zowel de school als door de moeder wordt gezien dat [minderjarige] spanningsklachten heeft. Het is echter onduidelijk wat de oorzaak is van de spanning. Naar aanleiding van de melding van de moeder, en de uiteenlopende opvattingen van de ouders, verricht Veilig Thuis op dit moment een onderzoek. Hierin zal mogelijk meer inzicht worden gekregen in de zorgen over [minderjarige] en wat er nodig is om deze zorgen weg te nemen. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is echter uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, niet gebleken dat de veiligheid van [minderjarige] direct in het geding is bij de vader. Er zijn daarom geen redenen om het contact tussen [minderjarige] en zijn vader op te schorten of enkel (beperkt) onder begeleiding plaats te laten vinden, zoals nu feitelijk het geval is.
4.4
Tegelijkertijd is het onderzoek van Veilig Thuis nog lopende en moet een slag om de arm worden gehouden wat betreft het advies dat zij zullen geven. De voorzieningenrechter zal daarom een in afwachting van dit advies een voorlopige zorgregeling vaststellen, waarbij [minderjarige] wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft, zonder begeleiding. Op het moment dat uit het rapport van Veilig Thuis blijkt dat er geen directe, grote veiligheidsrisico’s bestaan voor [minderjarige] in het contact met de vader, dan wordt de op 1 mei 2024 overeengekomen zorgregeling direct hervat, zonder een opbouw.
4.5
De voorzieningenrechter constateert wel dat de onderlinge relatie en het vertrouwen tussen de ouders is beschadigd. De moeder heeft nare ervaringen gehad in de relatie met de vader en ondervindt hiervan nog altijd gevolgen. De vader voelt zich op zijn beurt buitenspel gezet. Het is goed mogelijk dat [minderjarige] deze spanning voelt en het moeilijk vindt om loyaal te zijn aan beide ouders. Indien door Veilig Thuis hulpverleningsadviezen worden gegeven, zowel voor de ouders (gezamenlijk) als voor [minderjarige], dan acht zij het raadzaam om deze adviezen op te volgen – in het belang van [minderjarige].
Vordering tot afgifte en dwangsom
4.6
De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om de moeder te veroordelen tot afgifte van [minderjarige] of een dwangsom aan de nakoming van de zorgregeling te verbinden. Zij gaat er van uit dat beide ouders de hervatting van de zorgregeling zullen naleven.
Zomervakantie
4.7
Indien uit het rapport van Veilig Thuis blijkt dat er geen directe, grote veiligheidsrisico’s bestaan voor [minderjarige] in het contact met de vader, ziet de voorzieningenrechter geen reden om [minderjarige] geen vakantie met de vader toe te staan en wijst de voorzieningenrechter de vordering van de vader ten aanzien van de verdeling van de zomervakantie toe.
Proceskosten
4.8
Aangezien partijen samen de ouders zijn van [minderjarige], zal de voorzieningenrechter de
proceskosten compenseren en bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
veroordeelt de moeder ten aanzien van de reguliere zorgregeling om de tussen partijen op 1 mei 2024 overeengekomen zorgregeling na te komen, met dien verstande dat:
- tot het moment waarop het rapport van Veilig Thuis door partijen is ontvangen [minderjarige] wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] komt ophalen en ook weer bij de moeder terugbrengt;
- vanaf het moment dat het rapport van Veilig Thuis door partijen is ontvangen en hieruit geen direct veiligheidsrisico volgt voor [minderjarige] met betrekking tot het contact met de vader, de zorgregeling van 1 mei 2024 wordt hervat;
5.2
bepaalt ten aanzien van de zomervakantie dat,
- tot het moment waarop het rapport tot Veilig Thuis is ontvangen, [minderjarige] wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] komt ophalen en ook weer bij de moeder terugbrengt, een en ander met uitzondering van de periode van 18 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026;
- vanaf het moment dat het rapport van Veilig Thuis door partijen is ontvangen en hieruit geen direct veiligheidsrisico volgt voor [minderjarige] met betrekking tot het contact met de vader, [minderjarige] bij de moeder verblijft van 18 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026 en bij de vader verblijft van 10 augustus 2026 (ophalen bij de BSO of om 12.00 uur) tot en met 24 augustus 2026 (wegbrengen naar de BSO of om 12.00 uur), en dat daarbuiten de reguliere zorgregeling geldt;
5.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Witteman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
SB