ECLI:NL:RBDHA:2026:18144

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.48913
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. Paffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 30c Vreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 oktober 2025 waarbij haar asielaanvraag buiten behandeling is gesteld. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting behandeld en geoordeeld dat deze niet meer nodig is vanwege de uitspraak op het beroep in een gerelateerde zaak. Daarom is het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waarmee de beslissing definitief is geworden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.48913

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld. [1]
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.48912, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden als kennelijk ongegrond af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.