ECLI:NL:RBDHA:2026:18153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
SRG 23/5159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 7:15 AwbArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen aanmaningskosten BPM en afwijzing immateriële schadevergoeding

Eiser betwist de aanmaningskosten van €18 opgelegd door de Belastingdienst vanwege een naheffingsaanslag BPM op een motorvoertuig. Na een bezwaarprocedure waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden omdat eiser in de bezwaarfase is gehoord. Het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar faalt omdat eiser dit niet tijdig heeft aangevraagd. Daarnaast is geen sprake van schending van Unierecht. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden, maar omdat het financieel belang minder dan €1.000 bedraagt, leidt dit niet tot vergoeding van immateriële schade.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanmaningskosten BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SRG 23/5159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 22 september 2022 aan eiser, vanwege het uitblijven van de betaling van een naheffingsaanslag bpm, een aanmaning tot een bedrag van € 18 verzonden
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2023 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanmaningskosten in stand gelaten.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 27 september 2023 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak gedaan.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] .

Overwegingen

Feiten
1. De Inspecteur heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 23 juli 2021 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 3.102. Er is geen belastingrente in rekening gebracht.
2. Eiser heeft bij bezwaar van 19 augustus 2021 uitstel van betaling aangevraagd en dat uitstel is verleend. Het uitstel van betaling eindigde bij de uitspraak op bezwaar van 22 juli 2022.
3. Verweerder heeft eiser met dagtekening 22 september 2022 een aanmaning gestuurd. De kosten hiervan bedragen € 18,00. Eiser heeft bij bezwaar van 26 september 2022 opnieuw om uitstel van betaling gevraagd.
4. Bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanmaningskosten in stand gelaten.
Geschil5. In geschil is of verweerder terecht de aanmaningskosten heeft opgelegd aan eiser.
6. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
De hoorplicht in bezwaar is geschonden;
Eiser heeft recht op een werkelijke proceskostenvergoeding.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de aanmaning.
7. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De gestelde schending van de hoorplicht in de bezwaarfase (grief a)
9. Verweerder heeft (de gemachtigde) van eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op 10 maart 2023 heeft er een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser in de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het recht gehoord te worden, wat leidt tot het oordeel dat de hoorplicht derhalve niet is geschonden. De grief faalt.
De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase (grief b)
10. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen vergoeding voor de proceskosten heeft gegeven in de bezwaarfase. In artikel 7:15, tweede lid, Awb staat het volgende:
“De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”
11. De rechtbank concludeert dat eiser in de bezwaarfase een geen verzoek tot vergoeding van de proceskosten heeft gedaan bij verweerder. In zoverre faalt de grief.
12. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen reeds daarom niet kunnen worden vastgesteld. Anders dan eiser kennelijk beoogt te stellen dwingt het Unierecht er niet toe dat het indienen van een beroepschrift automatisch, dat wil zeggen zonder verzoek van eiser, tot uitstel van betaling leidt. Dat standpunt mist steun het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Van schending van het Unierecht is naar het oordeel van de rechtbank overigens geen sprake. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling verzoek om immateriële schadevergoeding14. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
15. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan belanghebbende betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
16. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
17. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 20 april 2026 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet.
18. Nu het financieel belang in onderhavige procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).
19. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).