ECLI:NL:RBDHA:2026:18159
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. Paffen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverwijzing naar Roemenië
Eiser, een Ghanese nationaliteit, diende op 1 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Roemenië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser eerder asiel had aangevraagd in Roemenië.
Eiser voerde aan dat hij in Roemenië ernstig was bedreigd en geen adequate bescherming had ontvangen, waardoor overdracht in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro. Tevens stelde hij dat medische omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag niet onverplicht in behandeling werd genomen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in Roemenië die het interstatelijk vertrouwensbeginsel zouden doorbreken. Ook was uit het medisch dossier geen ernstige achteruitgang te verwachten die overdracht zou verhinderen. De minister had terecht geen advies van het Bureau Medische Advisering ingewonnen en hoefde de aanvraag niet onverplicht in behandeling te nemen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinverwijzing naar Roemenië wordt ongegrond verklaard.