ECLI:NL:RBDHA:2026:18160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
26.17716
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvragen gezin wegens onvoldoende belangenafweging minderjarige kinderen

Eisers, een gezin met vijf minderjarige kinderen, dienden asielaanvragen in die door de minister werden afgewezen op grond van de Dublinverordening, waarbij België als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. De minister beriep zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelde dat België passende opvang en medische zorg biedt.

De rechtbank oordeelde dat de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende zijn onderzocht en niet kenbaar zijn meegewogen in de besluitvorming. De kinderen zijn niet gehoord en er is geen bewijs dat zij op andere wijze hun mening konden uiten, terwijl er medische omstandigheden waren die nader onderzoek vereisten.

De rechtbank stelde dat dit in strijd is met het EU-Handvest, het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en de Dublinverordening, die het belang van het kind vooropstellen. Ook ontbrak een motivering over de zwangerschap van de moeder.

Daarom vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen wegens onvoldoende belangenafweging van de minderjarige kinderen en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17716 en NL26.17718

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2]

V-nummers: [nummer] en [nummer]
mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam], [naam], [naam], [naam] en [naam]

V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen. Verweerder heeft de asielaanvragen met de besluiten van 27 maart 2026 (hierna: de bestreden besluiten) niet in behandeling genomen omdat België – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604/2013) – volgens verweerder verantwoordelijk is voor de asielaanvragen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader op een zitting te worden gehoord, zoals bedoeld in artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid van de Awb gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
1. Eisers zijn een gezin van twee ouders en vijf minderjarige kinderen in de leeftijd van twee tot twaalf jaar oud. Zij hebben de Moldavische nationaliteit. Eisers hebben op 29 januari 2026 bij verweerder asielaanvragen ingediend. Verweerder heeft naar aanleiding van die asielaanvragen onderzoek in Eurodac verricht op basis van de vingerafdrukken van eisers. Hieruit bleek onder meer dat eisers in 2022 en 2024 in België om internationale bescherming hebben verzocht. Daarop heeft verweerder bij de Belgische autoriteiten een claim gelegd, die op 17 februari 2026 is geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
2. Verweerder heeft met beide ouders afzonderlijk op 12 februari 2026 een aanmeldgehoor gehouden. Ten aanzien van de bezwaren tegen een overdracht aan België hebben zij hier onder andere aangegeven dat de moeder (hierna te noemen: eiseres) zwanger is, dat ze vijf kinderen hebben en dat ze eerder in België op straat zijn komen te staan. Ook is verklaard dat één van de kinderen invalide is en dat een ander kind een cyste heeft in zijn hoofd.
Bestreden besluiten
3. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vw 2000. Volgens verweerder is België verantwoordelijk voor de asielaanvragen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er is volgens verweerder geen reden om aan te nemen dat in België sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Verweerder gaat ervan uit dat België zich houdt aan de verschillende richtlijnen van het Europese asielrecht en het EVRM. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. In geval van voorkomende problemen dienen eisers zich te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van België of de daarvoor aangewezen instanties. Wat betreft de opvangproblematiek in België geeft verweerder aan, aan de hand van een citaat uit een rechtbankuitspraak, dat de beschikbare opvangplekken in België worden toegewezen aan de meest kwetsbare asielzoekers. In de praktijk betreft dat gezinnen met kinderen, alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Daarom is de situatie van eisers niet vergelijkbaar met die van jonge alleenstaande mannen. Verweerder vindt tenslotte dat er geen reden is om de asielaanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. Specifiek wat betreft de medische omstandigheden overweegt verweerder tenslotte nog dat hij ervan uitgaat dat er – gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel – vanuit wordt gegaan dat in België passende medische zorg voor eisers aanwezig is, en dat hij er daarom op mag vertrouwen dat passende medische zorg aanwezig is in België.
Standpunt eisers
4. Eisers hebben op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de bestreden besluiten terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eisers.
6. Eisers hebben in de eerste plaats, verkort weergegeven, aangevoerd dat uit de besluitvorming niet blijkt dat de bijzondere omstandigheden van het gezin – waaronder die van de vijf minderjarige kinderen – kenbaar zijn betrokken en gewogen. Daarmee zijn de besluiten onvoldoende gemotiveerd, aldus eisers.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat een redelijke uitleg van de voornoemde beroepsgrond van eisers met zich brengt dat eisers zich óók op het standpunt stellen dat de belangen van de minderjarige kinderen ten onrechte niet zijn geïnventariseerd door verweerder. Het kunnen wegen van belangen veronderstelt immers dat die belangen in kaart zijn gebracht – en dus zijn onderzocht.
8. Dat betoog van eisers slaagt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
9. Op grond van artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest), gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het IVRK, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het kind wordt hiertoe op grond van artikel 12, tweede lid, van het IVRK met name in de gelegenheid gesteld door te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.
10. De onder 9 genoemde uitgangspunten hebben ook zijn weerslag gekregen in de Dublinverordening. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening moet een lidstaat het belang van het kind in Dublinprocedures vooropstellen. Uit het derde lid volgt dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten in het bijzonder rekening houden met onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, is de situatie van een minderjarige onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid. Die situatie valt onder verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is.
11. De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3900) – kort samengevat – is overwogen dat uit het voornoemde juridische kader een verplichting voor verweerder volgt om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, en dat er geen absolute verplichting bestaat om een begeleide minderjarige vreemdeling altijd rechtstreeks te horen.
12. De rechtbank leidt uit de dossiers in de hier aan de orde zijnde zaken af dat bij de totstandkoming van de bestreden besluiten op geen enkele wijze is gepoogd om de (eventuele bijzondere) belangen van de minderjarige kinderen in kaart te brengen. Vast staat dat de kinderen niet zijn gehoord en er ontbreken aanknopingspunten dat de kinderen wel op andere wijze in de gelegenheid zijn gesteld hun mening over de voorgenomen besluitvorming vrijelijk te uiten. Dit terwijl eiseres in elk geval ten aanzien van twee kinderen medische omstandigheden in het aanmeldgehoor heeft genoemd die een duidelijk belang kunnen vormen voor deze kinderen – zoals weergegeven onder 2 – en die hoe dan ook een nader onderzoek en een nadere afweging hadden gevergd.
13. In de bestreden besluiten is verder in het geheel geen motivering opgenomen over de (belangen van de) minderjarige kinderen en zijn deze belangen, zoals eisers terecht aanvoeren, aldus niet kenbaar betrokken.
14. De rechtbank overweegt dan ook dat verweerder, door aldus te handelen, in strijd handelt met het onder 9 tot en met 11 weergegeven juridische kader, waarin voor verweerder de verplichting is opgenomen om de belangen van minderjarige kinderen voorop te stellen en een eerste overweging te laten zijn.
15. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding alsmede het motiveringsbeginsel. Omdat de beroepen reeds om die reden gegrond zijn en de besluiten bijgevolg voor vernietiging in aanmerking komen, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
16. De rechtbank hecht er daarbij nog wel aan op te merken op dat in de bestreden besluiten evenmin een motivering is opgenomen omtrent de zwangerschap van eiseres, terwijl eiseres wél op deze omstandigheid heeft gewezen in het aanmeldgehoor in het kader van haar bezwaren tegen een overdracht aan België. Ook deze omstandigheid had, in het licht van de voorgenomen overdracht, en mede gelet op het stadium van de zwangerschap van eiseres ten tijde van de bestreden besluiten, dienen te nopen tot een motivering van verweerder op dit punt. Ook deze beroepsgrond is dus terecht naar voren gebracht door eisers. Verweerder zal in zijn nieuw te nemen besluiten alsnog op één en ander moeten ingaan, waarbij hij – vanzelfsprekend – de actuele situatie in ogenschouw moet nemen (uit de gedingstukken leidt de rechtbank namelijk af dat, als alles goed is gegaan, het kindje inmiddels moet zijn geboren).

Conclusie en gevolgen

17. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of om zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder nader onderzoek moet doen en bijgevolg nader dient te motiveren. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.
18. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift). De rechtbank neemt voor de zaken NL26.17716 en NL26.17718 samenhang aan zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelet op de inhoudelijke verwevenheid tussen de zaken en de gelijktijdige indiening van de (gelijkluidende) beroepsgronden in de beide zaken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 27 maart 2026;
- draagt verweerder op om nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauw, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.