ECLI:NL:RBDHA:2026:18168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.31751
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA-afwijzing

Verzoeker, van Indiase nationaliteit, had een aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie op 18 december 2025 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om gedurende de bezwaarprocedure te mogen blijven werken.

De voorzieningenrechter baseerde zijn beslissing op artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat voorziet in het treffen van voorlopige voorzieningen bij spoedeisend belang. De minister verzette zich niet tegen het verzoek, waardoor er geen beletselen waren om het verzoek toe te wijzen.

De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mocht blijven werken voor zijn werkgever. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien hoger beroep of verzet niet openstaat.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, verzoeker mag tijdens bezwaarprocedure blijven werken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.31751
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1999, van Indiase nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. J. van Putten),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De minister heeft bij brief van 30 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van hetgeen is verzocht.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure tegen het bestreden besluit mag blijven werken voor zijn werkgever;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.