ECLI:NL:RBDHA:2026:18170
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiseres, een Ethiopische vrouw, verzocht op 14 december 2023 om een visum kort verblijf om haar zoon en kleinkinderen in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 15 december 2023 af wegens onvoldoende bewijs van het voornemen om tijdig terug te keren naar Ethiopië.
Na een bezwaarprocedure handhaafde de minister het besluit op 28 maart 2025. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank behandelde het beroep op 9 juni 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet aanwezig waren.
De rechtbank overwoog dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft bij de toetsing van de visumaanvraag en dat het aan de aanvrager is om twijfel over terugkeer weg te nemen. Hoewel eiseres getrouwd is, bood dit onvoldoende garantie voor terugkeer, mede omdat zij geen regelmatig substantieel inkomen in Ethiopië kon aantonen.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het beroep ongegrond verklaarde. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding met het land van herkomst.